Ik ben als het ware opgegroeid in een bibliotheek, aangezien mijn vader sedert jaar en dag fanatiek boeken verzamelt. Kamer na kamer werd ermee gevuld. Hoewel zijn collectie veel geschiedkundige werken bevat, heeft ze me vooral kennis laten maken met dichters en romanciers uit alle mogelijke windstreken. Dit betekent overigens niet dat ik de fase van de zogenaamde jeugdboeken heb overgeslagen; misschien bezorgden die mij zelfs mijn meest intense leeservaringen, zoals lijkt te worden bevestigd door bepaalde scènes uit klassiekers van Roald Dahl, Lewis Carroll of Thea Beckman die mij nog levendig voor de geest staan. Niettemin kwam ik, dankzij mijn vaders belezenheid, spoedig in aanraking met zeer uiteenlopende auteurs die tot mijn absolute favorieten zouden gaan behoren, onder wie Multatuli, Elias Canetti, Virginia Woolf, Jorge Luis Borges, Yasunari Kawabata en Marina Tsvetajeva. Aanvankelijk begreep ik vast weinig van hun gelaagde teksten, maar de beeldende kracht van hun stijl ontsloot voor mij imaginaire werelden zoals ik ze nergens anders had mogen betreden. Hun meesterschap over het woord schiep een werkelijkheid die tegelijk zoveel betekenisvoller en zinnelijker was dan de alledaagse realiteit. Lezen werd een vaststaand ritueel, een verslaving, een obsessie wellicht…

Toch was ik bij het verlaten van de middelbare school in 2001 niet van plan mij aan de letteren te wijden, zoals dat heet. In plaats daarvan koos ik voor de vertalersopleiding Frans – Spaans in Antwerpen, in de ietwat naïeve veronderstelling dat een grote talenkennis de allerbelangrijkste voorwaarde was om in diplomatieke dienst te gaan, mijn ultieme einddoel. Tijdens mijn verblijf in Polen, waarvoor ik mijn studie een jaar onderbrak, kwam ik er echter al spoedig achter dat die beoogde diplomatencarrière eerder strookte met vage jongensdromen over een bijdrage leveren aan een vreedzamere wereld, dan met mijn eigen talenten. Zodra ik me voor mijn organisatorische bezigheden moest verdiepen in juridische of economische regelgeving, verslapte terstond mijn belangstelling. Ook toen al voelde ik me veel meer in mijn element tijdens publieke lezingen in dialoog met concrete mensen, of achter de schrijftafel omgeven door boeken. Bovendien raakte ik gedurende mijn daaropvolgende studieverblijf in Spanje mateloos in de ban van de vroegtwintigste-eeuwse avant-garde en, meer in het bijzonder, van het oeuvre van de Chileense dichter Vicente Huidobro. Het bloed kroop waar het al sinds tijden heen moest: ik zou me verder op de literatuur toeleggen. Ik sloot de Antwerpse vertalersopleiding in 2006 af door Huidobro’s hoofdwerk Altazor voor het eerst integraal naar het Nederlands te vertalen. Deze vertaling werd nadien onder de titel Hogevalk bij het Gentse Poëziecentrum gepubliceerd.

De artistieke vernieuwingen uit de eerste decennia van de twintigste eeuw lieten me echter nog niet los, met name het sterke geloof dat hieruit sprak in het vermogen van de kunst (de literatuur inbegrepen) om de wereld te veranderen. Hoe was de kunst daartoe bij machte, als ze zich verre wilde houden van eenduidige leuzen en politieke propaganda? Deze vraag bleef me in het vervolg van mijn studie bezighouden, eerst als masterstudent Algemene Literatuurwetenschap in Leiden en later als promovendus bij moderne Romaanse letterkunde in Groningen. Het antwoord vond ik in die andere levenslange fascinatie van mij: de zintuiglijke waarneming. In mijn proefschrift, Talend lichaam (2013), kwam ik tot de conclusie dat deze kunstenaars, middels hun avant-gardistische experimenten, de conventionele aanblik van de dingen poogden te doorbreken. Futuristen, kubisten, expressionisten en surrealisten, allen ontwierpen ze een eigen vormentaal die erop gericht was de heersende, pragmatische perceptie van de werkelijkheid op losse schroeven te zetten. Ze geloofden dat hun bizarre performances en composities aan het publiek alternatieve werelden vermochten te onthullen, wat dit publiek vervolgens moest aansporen tot kritische reflectie over zichzelf en de samenleving.

Dit jarenlange onderzoek naar de avant-garde heeft me ontzettend veel geleerd over de fascinerende relatie tussen literatuur en waarneming. Voor mij staat het vast dat deze relatie veel meer analyse behoeft, omdat ze aan heel fundamentele kwesties raakt die het specifieke geval van de avant-garde te boven gaan. Hoe geven we door middel van taal betekenis aan onze zintuiglijke indrukken en in hoeverre berust, omgekeerd, onze (literaire) taal en beeldspraak op een zintuiglijke grondslag? Hoe spreken schrijvers wier lichaam niet binnen de gangbare metaforiek van de vijf zintuigen past, over hun ervaringen? Hoe structureert onze lichamelijke conditie onze verbeelding? Wat kan literatuur ons vertellen over het veranderend gebruik van de zintuigen door de eeuwen heen? Dit zijn het soort vragen waarover ik me voortaan, ook op deze website, wil buigen.