Ik doorliep de basisschool in een Kortrijks instituut dat een kleine afdeling voor blinde en slechtziende kinderen bezat. Ik raakte er onder meer vertrouwd met het brailleschrift en het gebruik van de (tast)stok. Ondanks het uitstekende onderwijs dat ik er genoot, heb ik me er nooit bijster thuisgevoeld. Mijn leefwereld verschilde al tezeer van die van mijn veelal oudere medeleerlingen, die met ernstige leermoeilijkheden of gedragsstoornissen te kampen hadden. Er heerste een hard klimaat op die school, waar veelvuldig werd gepest en gevochten. Maar ik vond een uitweg in de verbeelding, door de vele boeken die ik toen al las en het schaakspel waar ik allengs verslingerd aan raakte.

De overstap in 1995 naar een reguliere middelbare school kwam dan ook als een verademing. Eindelijk werd ik omringd door leeftijdsgenootjes die zich eveneens konden verliezen in De wereld van Sofie, of net als ik talloze avonden opofferden aan het oplossen van schaakpuzzels. Ik was ineens deel van een groep geworden die mijn beperking ogenblikkelijk als volkomen natuurlijk had geaccepteerd, en me waardeerde om wie ik was en wat ik kon.

Ondertussen was ik, dankzij de nieuwste technologie, in staat het gewone lessenpakket nagenoeg probleemloos te volgen. Sedert begin jaren negentig kon een computer immers worden uitgerust met spraaksoftware en een brailleleesregel, die getypte tekst automatisch omzetten naar een voor blinden leesbare vorm. Het grote voordeel hiervan was dat ik alle leerstof - mits gedigitaliseerd - direct tot me kon nemen. Leraren hoefden geen braille meer te kennen, omdat ze van het scherm aflazen wat ik noteerde. Een ambulante begeleider van het zogenaamde GON (Geïntegreerd Onderwijs, Vlaanderen) zorgde voor de omzetting van toets- en tentamenvragen in braille, en ik drukte mijn antwoorden vervolgens in gewoon schrift af voor de docent. Kennis betekent bevrijding, dat heb ik toentertijd voorgoed begrepen.