Zoals ik hierboven al aangaf, nam schaken vanaf de laatste jaren van de basisschool een steeds aanzienlijker plek in mijn leven in. Het zwart-wit geblokte bord bleek een poort naar de wijdere wereld. Het duurde niet lang of ik mocht deelnemen aan toernooien in binnen- en buitenland, meestal als individuele speler, maar soms ook als lid van een lokaal of nationaal team. Tijdens mijn middelbare schooltijd ging geen weekend of vakantie voorbij of ik was wel onderweg naar de een of andere wedstrijd. Het schaken bracht me al vroeg, behalve op allerlei plekken in België, ook in heel West-Europa, Tsjechië, Polen, Spanje en Turkije.

Hoe schaakt iemand die niet kan zien? Door gebruik te maken van een speciaal aangepast bord, waarvan ieder vakje voorzien is van een gaatje en elk stuk van een pinnetje aan de onderzijde. Doordat de stukken in de gaatjes geplaatst kunnen worden, staan ze veel stabieler dan op een gewoon schaakbord. Om onderscheid te maken tussen de kleuren zijn de zwarte velden ietsjes verhoogd ten opzichte van de witte en zijn de zwarte stukken bovenaan gemerkt met een spijkertje. Zodoende kan de visueel beperkte speler op de tast een goed overzicht van de stelling op het bord krijgen. Om ervoor te zorgen dat de spelers elkaar daarbij niet hinderen, wordt er altijd op twee borden gespeeld en geven tegenstanders de zetten aan elkaar door met behulp van de coördinaten (dat zijn de letter- en cijfercombinaties van ieder veld; bv. pion d2-d4 of paard g8-f6). Naarmate de sterkte van de visueel beperkte speler toeneemt en hij of zij de positie op het bord exact leert onthouden, wordt de tast overigens steeds minder benut. Bij schaken gaat het immers bovenal om het denkwerk: de actuele positie doorgronden, toekomstige scenario's voorzien en alle mogelijke varianten berekenen.

Het schaakspel heeft me zonder twijfel geholpen om essentiële vaardigheden en interesses te ontwikkelen. Om te beginnen leerde het me gestructureerd te redeneren, beslissingen te nemen onder tijdsdruk en urenlang gefocust te blijven. Bovendien schonk het de onzekere adolescent die ik toen was, het nodige zelfvertrouwen te merken dat discipline en toewijding wel degelijk lonen. Ik kreeg daarbij begeleiding van mijn oom, Jan Delabie – in zijn tijd een voortreffelijke correspondentieschaker -, die tientallen cassettebandjes met schaaktheorie voor me insprak. Maar ook door talloze middagen met vrienden te trainen en samen schaakboeken door te spitten ging ik met rasse schreden vooruit. Ik zocht steeds weer nieuwe uitdagingen door aan sterkere toernooien mee te doen of tegen almaar meer tegenstanders simultaan te spelen, waarbij ik 20 tot 25 stellingen tegelijk moest leren memoriseren.

Minstens zo belangrijk, denk ik nu achteraf, was ten slotte dat het schaken me reeds jong in contact bracht met vreemde talen en culturen. Na soms wel vijf uur in volkomen stilzwijgen tegenover elkaar te hebben gezeten wil je na afloop wel eens kennismaken met die onbekende tegenstander. Dan praatten we doorgaans over de partij of disten we anekdotes op over beroemde schakers, maar er konden net zo goed geheel andere thema's worden aangesneden. Zo was ik sterk onder de indruk van wat een Servische opponent me vertelde over de NAVO-bombardementen op zijn woonplaats Belgrado in 1999, of stak ik het nodige op van een Zweedse theoloog die onderzoek deed naar manuscripten van Koptische christenen. Maar behalve zulke verrijkende gesprekken zijn me ook allerlei ongewone sensaties bijgebleven, zoals de pittige etensgeuren en opzwepende dansmuziek in een uitgaanswijk van Istanbul, waar ik als veertienjarige deelnam aan de jeugdolympiade. Kortom, ik raakte destijds voorgoed besmet met de reismicrobe.

Gedurende enkele jaren boekte ik almaar betere resultaten. Het meeste media-aandacht trok mijn gouden medaille op het jeugdwereldkampioenschap voor blinden en slechtzienden in 1999. Persoonlijk hechtte ik er echter meer waarde aan dat ik het jaar nadien Belgisch kampioen werd van de ziende junioren. Ik gaf de voorkeur aan zulke reguliere toernooien omdat het spelniveau er eenvoudigweg hoger lag. Bovendien is schaken nu juist een van die weinige (denk)sporten waarin spelers met en zonder beperkingen elkaar met gelijkwaardige middelen kunnen bekampen. Ofschoon het wel een enkele keer kon voorkomen dat een ziende tegenstander bezwaren maakte tegen het spelen op twee borden en het mondeling doorgeven van de zetten, reageerden de meesten uitest sportief op deze lichtjes afwijkende manier van spelen. In het nieuwe millennium ging mijn toenemende belangstelling voor literatuur geleidelijk aan ten koste van het actieve schaken. Maar het is duidelijk dat dit eeuwenoude spel mijn horizon heeft opengetrokken.