Caïssa

donderdag 13 oktober 2011

(Kort verhaal, ongepubliceerd)

"De koning nietig, lopers schuin, bebloed
de dame, sluw de pion, torens recht,
boven het zwart en wit wordt het gevecht
door hen gezocht en strijden zij verwoed.

Zij weten niet dat wat de speler doet
met voorbestemde hand hun lot beslecht
en dat de wil en de afgelegde weg
met diamanten strengheid zijn bevroed.

Tezelfdertijd (naar Omars zeggen) wordt
de speler vastgehouden op een bord
van dag en nacht, want wit en zwart ook die."
Jorge Luis Borges. El Hacedor, 1960.
(vert. Barber van de Pol & Maarten Steenmeijer. Jorge Luis Borges. Alle gedichten, 2011, p. 191-3)

Deze schaakpartij, tijdens de avondlijke treinreis van de kust naar het binnenland, heeft iets van een dans, een ritueel dat we schijnbaar mechanisch uitvoeren. Ik weet niet welke hogere macht we er gunstig mee proberen te stemmen - is het de allengs verdwenen onbevangenheid, de herinnering aan ons eigen verleden of gewoonweg de schaakgodin Caïssa? -, maar terwijl zij praat en ik luister, blijven onze handen met regelmatige tussenpozen de kleine, magnetische stukken verplaatsen. Na al die jaren is haar Nederlands zonder meer vlekkeloos te noemen. Toch sluimert misschien ergens in ons het vermoeden dat die taal van zwart-witte geometrie, die we allebei tot in de finesses beheersen, de meeste kans op onderling begrip biedt. Bovenal, echter, vertegenwoordigt het schaakbord op dat formica treintafeltje de wereld waartoe ook hij heeft behoord wiens aanwezigheid we op dit ogenblik in ons gesprek trachten op te roepen; de wereld waarin we hem ieder op onze eigen manier hebben liefgehad, bewonderd en gehaat, en die hij met zijn vertrek vanmiddag waarschijnlijk voorgoed heeft vernietigd.

"Het was op een toernooi ergens in de Franse Pyreneeën. Aanvankelijk was hij me helemaal niet opgevallen. Eigenlijk best gek, als je bedenkt dat ik hem net zo goed niet had kunnen leren kennen. Maar dan had hij waarschijnlijk wel iets geforceerd..." Opnieuw klinkt haar lach zo transparant, als toen ik hem voor het eerst hoorde in die rokerige kamer waar een gordijn van jongensstemmen hing. Ondanks de meedogenloze vrieskou waren wij nog gretiger dan andere jaren ingegaan op zijn uitnodiging om samen de jaarwisseling te vieren, omdat hij had beloofd ons eindelijk aan zijn "Magyaarse schaakdiva te presenteren". Nu ik er goed over nadenk, moet dat ook de laatste keer zijn geweest dat ons vriendengroepje van het gymnasium de overgang van Oud naar Nieuw gezamenlijk inluidde. Nu beeld ik me in dat op het middernachtelijke uur de glazen net iets helderder tingelden en onze stem net iets meer trilde bij het uitspreken van de heilswensen dan de voorafgaande jaren, in het besef dat we de daaropvolgende herfst allemaal onze geboorteplaats zouden verlaten om in verschillende steden de collegebanken te gaan bevolken. Maar ik vraag me af of dit tafereel strookt met de feitelijke gang van zaken; toen keken we immers niet achterom, naar die schooltijd die ons doodsaai voorkwam en in onze ogen al lang genoeg had geduurd, maar juist vooruit, naar een toekomst die een teveel aan spannende alternatieven in zich leek te bergen. Bovendien kwamen we die avond voor haar en was het nog lang geen middernacht. Het verstreken kalenderjaar telde vooralsnog een zestal uur, toen we geleidelijk aan begonnen binnen te druppelen in de flat, in dat onooglijke badplaatsje, waar het feest ditmaal zou doorgaan. Naar we van hem hadden vernomen, behoorde deze flat een oom van hem toe die op de lange omvaart zat, en voor wie het een 'pied-à-terre' was gedurende diens schaarse verloven. Ook nu was zijn oom op zee, en zou hij de jaarwisseling waarschijnlijk in Miami vieren. Tot mijn teleurstelling viel uit het karige interieur evenwel ternauwernood op te maken dat hier een zeeman huisde. Anders dan ik had verwacht, hingen er geen verroeste ankers of historische zeekaarten met opschriften als "Hic sunt dracones" aan de muren, net zomin als Afrikaanse maskers of enige andere exotica. Wel stond in de woonkamer op een bijzettafeltje een plastic wereldbol waarop de gebieden waren ingekleurd die de huiseigenaar kennelijk had aangedaan. Net speurde ik het aardoppervlak af naar de laatste witte vlekjes, toen ineens uit de aangrenzende badkamer, waarin hij zopas was verdwenen om "poolshoogte te nemen", haar lach opklonk. De klare spontaneïteit van die lach dwong me wel te luisteren, als ruiste daarin de golfslag van verre oorden waarover ik nog zo-even aan het mijmeren was.

"Al bij al was dat hele plaatsje maar een schort groot. Wel mooi gelegen, daar niet van, in de liesplooi van een rotsige helling. Er hadden zich ook dat jaar honderden deelnemers uit de hele wereld ingeschreven voor het toernooi." Dat ze er 's zomers zo'n wekenlange wedstrijd met internationale renommée op poten konden zetten, was waarschijnlijk aan een plaatselijke mecenas te danken, peins ik in stilte terwijl ik een pion vooruitschuif. "We speelden in de koele zalen van een Romaans klooster. Je kunt je voorstellen", haar slanke vingers zweven aarzelend boven de stukken en strijken daarbij per ongeluk langs de rug van mijn hand, alvorens met een beslist gebaar mijn loper te nemen, "dat ik hem in die tientallen rijen van denkende hoofden niet zo gauw had opgemerkt. Destijds kon ik nog zo verdiept raken in een partij, dat ook de gezichten van de spelers die rond mijn bord stonden toe te kijken me volkomen ontgingen. Zelfs de trekken van mijn tegenstander werden dan almaar omfloerster. Voor mij bestond nog slechts de stelling, de tot dan toe afgelegde weg en het grote aantal paden dat ik nu kon inslaan." 
Lang voordat hij over hun ontmoeting vertelde, was ik haar naam al geregeld in de vakbladen tegengekomen. Ze gold als "een aanstormend talent", "de nieuwe belofte van Hongarije", of "een mogelijke opvolgster voor de drie legendarische Polgarzusjes". Geïmponeerd door dergelijke epitheta, maar misschien nog wel meer door "de gepijnigde uitdrukking in haar grijsgroene ogen" die menige schaakjournalist in zijn reportage had geroemd, bestudeerde ik haar partijen van belangrijke kampioenschappen. In haar spel meende ik de weloverwogen tactieken, de rustige opbouw te herkennen die ik zelf altijd nastreefde. Toch paste ze deze strategieën ontegenzeglijk effectiever toe dan ik, want ze behaalde beduidend betere resultaten. Zij bezat het geduld om behoedzaam te manoeuvreren, langzaamaan naderbij te sluipen en haar prooi plotsklaps in een dodelijke wurggreep te omknellen.
"Later heeft hij me nog verteld hoe ik in die kloosterzaal, onder het spelen, vaak langdurig omhoog zat te staren. Dat is best mogelijk; de vegetale motieven op de gewelven herinnerden me aan vroegmiddeleeuwse kerken in de buurt van Boedapest. Maar ze boden me vooral een mentaal rustpunt, een stabiele achtergrond voor alle spelvarianten die zich in de loop van de partij in mijn hoofd verdrongen. Je moet er immers altijd voor uitkijken dat er geen monsters uit je eigen psyche onverwachts je berekeningen komen verstoren." Opnieuw die lach, terwijl ik machinaal in ruil voor mijn loper haar paard neem. "Al bij al weinig kans dus", besluit ze, "dat ik oog voor hem had, ook al was hij naar eigen zeggen niet van mijn bord weg te branden."

Nadat ik haar zelf in levenden lijve had gezien, begreep ik maar al te goed waarom hij van meet af aan zo sterk in haar ban was geraakt. Toen, op die oudejaarsavond, de badkamerdeur openging en zij zich plots op luttele meters van mij bevond, troffen me behalve haar delicate schoonheid, vooral de wilskracht en wereldse distinctie die ze uitstraalde. Hoewel ze nauwelijks een paar jaar ouder was dan wij – ze was destijds hooguit twintig -, stond hier een zelfbewuste jonge vrouw die, dankzij haar exceptionele vermogens, reeds lang de horizonten was gepasseerd die onze leefwereld nog begrensden. Aan de ongedwongen manier waarop ze zich door het vertrek bewoog en ons in vloeiend Engels aansprak, was goed te merken dat ze zich toegang had verschaft tot de kosmopolitische scene van het topschaken die tegenwoordig van Peking tot New York reikte.

"Het gebeurde op een middag dat ik vroeg klaar was met mijn partij. Ik had tegen een bevriende meester moeten spelen, en omdat we allebei hoog in de rangschikking stonden, durfde geen van beiden al te veel risico te nemen. We besloten dan ook vrij snel tot remise. Ik had net de uitslag aan de wedstrijdleiding doorgegeven en dacht erover om een lange wandeling in de omgeving te gaan maken, toen ik een hele drom toeschouwers rond een bepaald bord zag staan. Nieuwsgierig liep ik ook die kant op, want amper een uur na de aanvang van een ronde was zo'n toeloop toch vrij ongebruikelijk. De stelling die ik daar te zien kreeg, was inderdaad uiterst complex en ongewoon. Zwart had onmiskenbaar een onorthodoxe opening gekozen en het nodige materiaal geofferd, maar had zodoende wel een gevaarlijke aanval weten op te bouwen. Wit weerde zich kranig, maar telkens vond zwart een verrassende zet die wit verder in het nauw dreef. Ik kon aan de nerveuze mimiek van de witspeler aflezen dat hij zwarts zetten keer op keer niet had voorzien. En tot mijn verrassing gold dit ook voor mij. Het leek alsof die zwartspeler geheel anders dacht dan ik, of zelfs alsof hij niet dezelfde spelregels hoefde te volgen als iedere andere schaker. Ogenschijnlijk bedaard deelde hij zijn mokerslagen uit, maar de gloed die geen seconde van zijn gezicht week toonde me zijn overgave aan de partij. Eventjes nog leek zwart het initiatief kwijt te raken, toen de witte torens in zijn kamp begonnen te infiltreren. Maar op dat moment kwam de adembenemende slotcombinatie die de witte koning definitief in het matnet verstrikte."
De meeste passagiers zijn inmiddels uitgestapt in de enkele grotere plaatsen die de trein op dit traject aandoet. Bomen, akkers, heggen, tuinhuisjes schuiven onvast voorbij; het wordt stilaan een optocht van schimmen en contouren. "Die avond werd ik de zwartspeler gewaar in een van de twee minuscule barretjes die dat plaatsje rijk was. Na afloop van de partijen zat het er altijd afgeladen vol met napratende schakers. Hij was er echter zo te zien in z'n ééntje, dus ik stapte kordaat op hem af om hem met zijn overwinning te feliciteren. Zoals hij misschien wel gemerkt had, zei ik, had ik de schitterende ontknoping van nabij gevolgd. Gelukkig maar, antwoordde hij, want zonder mij had hij nooit zo goed gepresteerd, 'because I was playing only for you!'"
Terwijl het decor buiten steeds verder vervaagt, krijgen de snapshots die zich in mijn hoofd ontvouwen allengs meer helderheid en scherpte: hij, nonchalant tegen de bar van dat tjokvolle Zuid-Franse café geleund, een glas rode wijn in de ene hand, de pijp die hij – als ik het goed heb - toen al rookte in de andere, haar fixerend met die blik die altijd lichte spot leek in te houden; zijn avances naar haar, in dat met een maffieus accent gekruide Engels dat hij in de Godfather-films moest hebben opgepikt; die twee charismatische persoonlijkheden voor het eerst samen in één beeld gevangen, en als het ware op elkaar afstralend in die met jazzmuziek gevulde kamer van de zeemansflat, waar het ineens voor mij begon te dagen dat hij iemand als haar nodig had om zijn eigen onverzettelijke wil te beproeven. Geen van de meisjes met wie hij het voorheen had aangelegd, doorgaans afkomstig van onze school of uit onze buurt, bleek werkelijk tegen hem opgewassen. Ze lieten hem in wezen koud, en nadat hij een poosje met één van hen had gesold, kwam er algauw een ander voor in de plaats. Of zo'n meisje er ten langen leste zelf een punt achter zette of hij het zelf uitmaakte, was al bij al van onderschikt belang; ze diende slechts zijn behoeften te bevredigen, meer niet. Tegen ons, het vriendengroepje dat zich in de eerste klas van het gymnasium had gevormd en die avond voor het laatst de jaarovergang zou vieren, sneed hij nooit op over die veroveringen. Hij sprak er eerder laconiek en terloops over als wij, stuk voor stuk nog met de eenzame afgunst van onanerenden in ons puberhart, door bleven vragen naar de vochtige bijzonderheden. Een grotere geslachtsrijpheid zal de overige mannetjesdieren uit de troep altijd wel het nodige ontzag inboezemen, maar toch berustte zijn autoriteit die voor ons vanzelf sprak lang niet alleen op dat palmares van ontmaagdingen in geparkeerde auto's en ouderlijke spondes.

Hij was ook degene die al op z'n zestiende politieke denkers las, en ons vertelde over de dialectiek van de geschiedenis waardoor de onderdrukten telkens weer zouden opstaan tegen hun onderdrukkers. Vol vuur, alsof hij er zelf bij was geweest, deed hij ons het relaas van Fidel Castro's landing op Cuba in een halfvergane schuit, en hoe Castro vervolgens met een handjevol medestanders vanuit de bergen de boeren wist op te hitsen en er met hun steun in slaagde een succesvolle guerrilla te ontketenen tegen dictator Batista, "die stropop van de yankees". Ik zoog zijn kennis, die zo sterk afweek van wat we op school te horen kregen, gretig op en verbaasde me stilzwijgend over zijn inzicht in de heimelijke machtspolitiek van de VS, die alle rechtse despoten in Latijns-Amerika in het zadel had gehouden. Samenzweerderig bijeengeschaard rond het plakkerige tafeltje in het Turkse eethuis waar we meestal in het holst van de nacht na afloop van een schaakavondje belandden, luisterden we ingespannen naar zijn woorden over de slaaf die immer weer zijn hand tegen de meester zou opheffen. Terwijl ik gedachteloos een leeg bierblikje samenkneep, blies Che Guevara voor mijn geestesoog een wapentransport van de regering op, zodat de nasmeulende wrakstukken van de trein en de uiteengereten lichamen van de militairen over honderden meters verspreid lagen. Toch vermengden zulke bloederige schouwspelen zich in mijn geest onwillekeurig met flarden van partijen van José Raúl Capablanca, de elegante wereldkampioen uit Havanna, met diens rijzig postuur strak in het pak en het eeuwige sigaartje tussen twee vingertoppen. Dit gebeurde voornamelijk wanneer hij ons trots zijn lidmaatschapskaart van een extreem linkse jongerenbeweging voorhield, ons aanmanend "het burgerlijke conformisme" af te schudden en te helpen bij de vorming van "een nieuw Volksfront tegen de uitbuiting door het grootkapitaal". Dan dacht ik aan Capablanca, die tijdens de jaren dertig onder het Batista-regime een makkelijk diplomatenpostje had bekleed teneinde zich volledig aan het schaakspel te kunnen wijden, dat hij met een wiskundige verfijning beoefende als die van Bachs Goldbergvariaties of Mondriaans latere doeken.

"De rest van het toernooi hebben we elkaar wel ongeveer elke dag ergens weten te treffen", haalt ze me uit de stroom aan herinneringen, "Hij vroeg dan honderduit over mijn schaakcarrière en over Hongarije. Zoals je waarschijnlijk weet, zocht hij me enkele weken later al op in Boedapest en toen was er werkelijk geen houden meer aan tussen ons... Diezelfde herfst nog besloot ik hier in Gent Kunstgeschiedenis te komen studeren." Kort nadien zouden wij haar dus ontmoeten op die oudejaarsavond, waar ieder van ons zich nog uitsluitend met zijn voornaam kon voorstellen, omdat toen nog de titels en referenties - van arts, musicus, piloot, indoloog en schrijver - ontbraken waar we ons inmiddels halsstarrig op laten voorstaan. Mijn persoontje zal haar aanvankelijk ook geenszins zijn opgevallen te midden van al die grijnzende jongenstronies die haar, als enige vrouw in het gezelschap, omringden. Ik wist echter al gauw haar aandacht te trekken, toen ik haar uitdaagde voor een blindpartij. In de flat van de zeeman was immers geen schaakbord te bekennen, zodat we het wel uit het hoofd moesten doen. Ze stemde gelijk toe, wat op een geestdriftig applausje van de anderen werd onthaald. Terstond gaven zij en ik elkaar dan ook onze openingszetten door – "d4", "knight f6", "knight f3" -, terwijl het aperitief werd ingeschonken en we blijmoedig de eerste dronk uitbrachten. Geen van de aanwezigen was bij machte deze partij in het luchtledige lange tijd te volgen; alleen hij hield het een poosje vol, de stelling af en toe van een summier commentaar voorziend, maar ik wist bij voorbaat dat, zodra er heuse verwikkelingen op het onzichtbare bord optraden, ook hij zou dienen af te haken. Enkele uren en glazen verder kreeg ik gelijk en moest hij, niet zonder achterdochtige flikkering in zijn ogen, erkennen het spoor bijster te zijn. Onverstoorbaar gingen zij en ik intussen door elkaar van tijd tot tijd, over de dampende schalen van een door onszelf in elkaar geflanst feestmaal heen, een nieuwe zet kenbaar te maken. Niettegenstaande dat we beiden volop meelachten en -praatten met de diverse gesprekken, hadden enkel wij tweeën, zij en ik, dat extra mentale schermpje openstaan waarop het bord onafgebroken haarscherp te zien was. Terwijl de toekomstige musicus een hilarische anekdote opdiste over een excentrieke docent aan het conservatorium die in gezelschap van een student niet voor maar onder de concertvleugel was aangetroffen, moest ik vechten om stand te houden. Ik had het op meerdere momenten in de partij inderdaad knap lastig, maar ik genoot niettemin van dit intieme, parallelle universum dat onze gedachten als enige in dit vertrek met elkaar verbond. Kort na middernacht liepen we met z'n allen juichend de met sneeuw bedekte zeedijk op, waar de vuurpijlen meegevoerd op de messcherpe noordenwind hoog boven de branding in veelkleurige figuren uiteenspatten. Eerst zag ik haar nergens meer, maar toen ontwaarde ik haar wapperende haren en jas op de golfbreker naast de mijne, waar ze aan zijn arm behoedzaam voortstapte om niet weg te glibberen. Hard schreeuwend om het gebulder van het vreugdevuur en de golven te overstemmen, riep ik haar triomfantelijk de zet toe die ik zonet had bedacht en misschien de partij voor mij nog kon redden. Even leek hij ietwat verstoord aan haar arm te rukken, maar ze keerde zich toch naar me toe, zwaaiend ten teken dat ze me had verstaan. Haar opgestoken hand bevestigde dat het evenwicht bereikt was. Een vreemdsoortige blijdschap ten overstaan van een nieuw begin overspoelde me, terwijl ik wegsprong voor een golf die naar mijn voeten greep. Toen ik verzadigd van de alcohol in de vroege ochtend eindelijk in slaap wist te komen, schrok ik ineens op van gekraak aan de andere zijde van het dunne tussenwandje; stil lag ik te luisteren naar het geluid van hun kussen, het gehijg en de fluisterende stemmen die van de geilheid onherkenbaar waren geworden. Bij het ontbijt speelden we nog enkele zetten, maar al spoedig kwamen we remise overeen.

De trein houdt halt in een landelijk stationnetje, waar het kille licht van de lantaarns de verlatenheid van het perron onderstreept. De coupé is nu, afgezien van ons en een met het gebonk in zijn oren meedeinende tiener een eind verderop, volkomen leeg. "Ik geloof dat je de rest wel weet", zegt ze zacht. Tot op zekere hoogte is dat ook zo, al heb ik wat daarna in zijn leven – en dat van haar –is voorgevallen, slechts vanaf een afstandje kunnen volgen. Evenals de meeste anderen van onze vrienden vatte hij zijn studie in Gent aan, meer bepaald Geschiedenis, zoals hij reeds lang tevoren had aangekondigd, terwijl ik als enige mijn geluk verderop in Antwerpen beproefde. Het speet me dat ik hen daardoor langzaamaan uit het oog verloor, maar ik had het te druk met het vinden van een geschikte studierichting, totdat het een paar jaar later tot me doordrong dat ik in feite nooit iets anders had willen doen dan schrijven. Het schaakspel dat ons op de middelbare school tot deelgenoten in een sektarische cultus had gemaakt, raakte voor ieder van ons almaar verder naar de achtergrond. Alleen haar naam kwam ik soms nog tegen in de tabellen van grote toernooien, als ik uit nostalgie op een verloren zondagmiddag wel eens de schaakrubrieken doorbladerde. Voor hem lag er een academische loopbaan als briljant historicus in het verschiet; daar twijfelde ik geen ogenblik meer aan. Niet alleen zijn uitzonderlijke studieresultaten wezen in die richting; ook ontving ik op een dag een lange, beschouwende e-mail, waarin hij naar mijn mening vroeg over de historische methode die hij, "naar het voorbeeld van de Frankfurter Schule", aan het ontwikkelen was voor zijn afstudeerscriptie. Hij had, zo schreef hij, genoeg van haar verhalen over het ingesleten nepotisme, de corruptie en de terreur achter het IJzeren Gordijn geleerd om geen geloof meer te hechten aan de realisatie van de communistische heilstaat, als die slechts onder politieke dwang tot stand was gekomen. Vóór alles moesten de burgers en politici anders leren denken, meende hij, moesten ze inzien dat hun gerichtheid op het eigenbelang de uitbuiting alleen maar consolideert. "Wij, als historici, kunnen hen daarbij helpen door, zoals Walter Benjamin zo terecht zei, niet langer de geschiedenis van de onderdrukkers te schrijven, en in onze teksten de gesmoorde stemmen uit het verleden te laten horen. Hier ligt onze verantwoordelijkheid jegens de doden." Toen ik deze regels las, dacht ik glimlachend terug aan onze onderonsjes met Castro en Capablanca, maar ik voelde toch ook respect voor dit idealisme dat nu beter doordacht scheen dan vroeger, en dat ik zelf überhaupt nooit had bezeten.

Maar tot mijn verbijstering vernam ik, nog geen half jaar nadien, van onze beider vriend de musicus, dat hij nooit aan die ambitieuze scriptie was begonnen. En dat niet alleen, hij had zelfs aan de hele studie de brui gegeven om in de Gentse binnenstad een schaakcafé te openen! Ik dacht heus dat de musicus me in de maling nam, totdat ik er zelf heenging en hem inderdaad, met opgestroopte mouwen en een rij schuimende biertjes voor zich, tappend achter de bar aantrof. "En?", viel ik met de deur in huis, "Hoe moet dat nu met de Frankfurter Schule?" Hij grijnsde smalend en wees naar zijn gasten, van uiteenlopende leeftijden en origine, die bijna allemaal gezellig keuvelend zaten te schaken: "Schuif daar liever bij aan. Je kunt je maar beter met de levenden dan met de doden vermaken!" Ik wilde hier iets tegenin brengen, maar andere klanten riepen hem al weg, zodat ik wel moest gaan zitten tegenover een man die kennelijk nog geen tegenstander had. Het was een aangenaam ingerichte kroeg – dat moest ik toegeven -, met hardhouten stoelen en tafeltjes en verschoten schaakfoto's aan de muren. Ik zal ook niet ontkennen dat ik er die avond plezierige uren heb beleefd, maar terwijl ik vluggertjes speelde zag ik uit een ooghoek dat hij menig glas sterke drank in zijn eigen keelgat goot. Ik ben er niet meer terug geweest, en dat heeft hij me vast ten kwade geduid, want zelf heeft hij me nooit ofte nimmer meer geschreven of gebeld. Haar had ik die ene avond niet gezien, hoewel ik het stiekem wel had gehoopt. In die periode gingen ze ook uit elkaar, hoorde ik later. Dat moet nu zo'n twee tot drie jaar geleden zijn. Ze beschuldigden elkaar van gescharrel met anderen; het fijne wist ik er niet van, en ik wil er haar ook nu niet naar vragen. Daarom heb ik daarnet zo uitgebreid naar de omstandigheden van hun eerste ontmoeting geïnformeerd. Het schaakcafé werd opgedoekt, toen hij naar verluidt niet langer de huur kon voldoen. Sindsdien is hij in de horeca blijven werken. "En nu", lichtte de arts - intussen chirurg in opleiding – me gisteren telefonisch in, "heeft zijn oom – je weet wel, die zeeman in wiens flat we een keertje Oud en Nieuw hebben gevierd – een baantje voor hem geregeld als barman op een cruiseschip. Hij zal meer dan een jaar van huis zijn, en heeft vorig weekend al van iedereen afscheid genomen."

Even op internet kijken volstond om te achterhalen dat het schip vandaag om halfvijf 's middags vanuit Oostende zou vertrekken. Hij scheen zijn familie en vrienden uitdrukkelijk verboden te hebben naar de haven te komen, omdat hij absoluut geen afscheidsscènes op de kade wilde hebben. Ik weet niet wat me op het laatste ogenblik toch deed besluiten naar Oostende te gaan; ik haastte me naar het station, maar door een vertraagde trein kwam ik alsnog pas enkele minuten voor afvaart bij de ligplaats. De loopbruggen en inrijstrippen voor de auto's waren reeds opgehaald; aan boord gaan was er niet meer bij, als ik dat al van plan was geweest. Op het dek krioelde het van de wuivende passagiers en de heen en weer dravende stewards, maar hoe ik ook tuurde, ik zag niemand die ook maar in de verste verte op hem leek. Met loeiende motoren bonkte de zeereus statig de haven uit, waarna hij spoedig in de mistsluiers verdween. Ik maakte aanstalten om langs het strand te gaan wandelen, toen ik plots op mijn schouder werd getikt en zij voor me stond. Ik had haar in al die jaren nauwelijks gezien, en verloor me opnieuw in haar blik die nog vastberadener stond dan tijdens die oudejaarsnacht, in haar gracieuze tred toen we samen de dijk afliepen, terug naar het station. "Heb jij hem nog gesproken?" vroeg ik. Ze knikte: "Heel kort maar. We wisten allebei niet zo goed wat te zeggen. Toch was hij blij dat ik er was, denk ik." In de trein opende ze haar zachtlederen tas en haalde er een vierkant doosje uit: "Dit gaf hij me trouwens nog. Hij zei dat hij het bij nader inzien liever niet mee wilde nemen." En ze voegde er lachend aan toe: "Ditmaal hoeven we tenminste niet blind te spelen!"

Op het kleine magnetische schaakbordje oogt de stelling voor mij inmiddels ontzettend beroerd. Bovendien naderen we de hoofdstad, waar we allebei zullen uitstappen. Ik geef me dan ook gewonnen, als de trein knarsend tot stilstand komt. Ik klap het bordje dicht en loop achter haar aan naar buiten. In de straten rond het station hoor je de harde muziek en het gejoel van het zaterdagse nachtleven al. Bij de metro-ingang waar ik omlaag moet en zij rechtdoor naar de Grote Markt, staan we even ongemakkelijk tegenover elkaar. "We komen elkaar vast nog wel tegen", zeg ik, of is het een vraag? "Natuurlijk!", antwoordt ze, alvorens in de feestende menigte te verdwijnen. Pas als ik haar ranke silhouet niet meer kan onderscheiden, besef ik dat ik nog steeds dat dichtgeklapte schaakbordje onder mijn arm klem.

Andere onderwerpen in de categorie Literair werk:

Vermist spiegelkind

24 maart 2019
(Eerste prijs dr. Alam Darsono-verhalenwedstrijd 2019) Staat u even stil, beste bezoeker, want hier lig ik dan, voor u, in klei.
LEES MEER

Ik ben twee: de verstrooide waarneming in Pessoa’s Boek der rusteloosheid

21 december 2015
(Essay verschenen in Wijsgerig Perspectief 55.4 2015, pp. 17-23) Het zal niemand zijn ontgaan dat in kroegen en restaurants de smartphone een vaste en veeleisende tafelgenoot is geworden.
LEES MEER

De onzichtbare foto van Benjamin Péret

03 januari 2013
(Essay verschenen in Vooys, 31.1 2013, pp. 73-76) Onlangs vroeg een kunstfotograaf me welke rol fotografie in mijn onderzoek speelt. Op het eerste gezicht is het niet bepaald een pertinente vraag voor een blinde literatuurwetenschapper als ik.
LEES MEER

Een vormloze zee van modder en tijd: over Godenslaap van Erwin Mortier

29 mei 2011
(Essay verschenen op ROND1900) Schrift na schrift heeft Helena Demont, de ik-verteller van Godenslaap, haar leven lang gevuld met mijmeringen en gedachten.
LEES MEER

Toen de toerist nog een echte reiziger was

04 mei 2011
(Essay verschenen op ROND1900) Het massatoerisme zoals we dat tegenwoordig kennen is een vrij recent verschijnsel, dat spreekt.
LEES MEER

Vicente Huidobro: herleid tot een lied van louter syllabes

10 april 2011
(Essay verschenen in Poëziekrant, 35.4 2011, pp. 64-70) ‘De dichter is een kleine God’ luidt de titel van een onlangs gepubliceerde bloemlezing van de 150 mooiste gedichten in het Spaans. Deze titel is ontleend aan de "Ars poëtica" van de Chileense dichter Vicente Huidobro (1893-1948) en drukt heel kernachtig diens onwankelbare geloof in de…
LEES MEER

De ontmoeting

05 januari 2010
(Kort verhaal verschenen in De Brakke Hond, 105 2009) Vreemd dat jouw woordeloze verschijning voor mij louter in taal herrijzen kan. Een taal die puntig onder mijn vingertoppen moet groeien, dezelfde vingertoppen waarin de herinnering woekert aan de holte van je elleboog, de zachte belofte van je kleine oorschelp schuilgaand achter zonverhi…
LEES MEER

De maskerade van het geslacht: over Travestie van Mircea Cartarescu

03 oktober 2009
(Ongepubliceerd essay) Voor de 34-jarige auteur Victor, de ik-verteller van Mircea Cartarescu’s roman Travestie (1996), is schrijven allerminst een vermakelijk tijdbedrijf. Dit wordt gelijk duidelijk uit zijn ietwat lugubere beginselverklaring:
LEES MEER