De maskerade van het geslacht: over Travestie van Mircea Cartarescu

zaterdag 3 oktober 2009

(Ongepubliceerd essay)

Voor de 34-jarige auteur Victor, de ik-verteller van Mircea Cartarescu’s roman Travestie (1996), is schrijven allerminst een vermakelijk tijdbedrijf. Dit wordt gelijk duidelijk uit zijn ietwat lugubere beginselverklaring:

 

“Ik zal bladzijde na bladzijde bekladden, ik zal de vellen papier gebruiken als gaas dat niet verzadigd raakt met inkt, maar met de ettering van mijn aloude wond. Misschien dat uiteindelijk alles erin zal worden opgenomen, en dat naarmate deze meer pus, meer wondvocht zullen bevatten, ikzelf van gif zal worden ontdaan.”

Al schrijvend beleeft Victor opnieuw zijn puberteit, de levensfase waarin hij zoals ieder ander de hem toegevallen identiteit voor het eerst bewust in vraag heeft gesteld. Het citaat markeert de aanvang van een nietsontziende reflectie op de sociale grondstoffen waaruit ons 'ik' is opgebouwd; het ganse kluwen van taal, gebruiken en culturele betekenissen waar iemand mee is opgegroeid en zich is gaan identificeren, blijkt plots niet langer onaantastbaar en verre van onschuldig. Maar wat probeert onze identiteit, dit masker dat we nooit meer kunnen afzetten omdat het onze persoonlijkheid uitmaakt, dan aan het oog te onttrekken?

In Victors geval lijkt een dergelijke freudiaanse zelfanalyse geen overbodige luxe. Er gaat immers geen dag voorbij zonder dat hij gekweld wordt door angstaanvallen en duistere herinneringen aan zijn overleden zusje. Een naam die daarbij ook steeds weer boven komt drijven is die van Lulu, maar om deze goed te kunnen plaatsen moet de dertiger zeventien jaar terug in de tijd. Terug naar het moment in de jaren zeventig waarop hij half zo oud was als nu en de typische eenzaamheid van de kunstenaar in wording loodzwaar op hem drukte. In die periode was Lulu namelijk een van die stoere klasgenoten voor wie de fijnbesnaarde, met poëzie dwepende Victor slechts minachting koesterde. Met name de gebeurtenissen tijdens een zomerkamp in Budila, een klein stadje in het bergachtige Transsylvanië, eisen Victors retrospectieve aandacht op. Op de bonte avond van dat kamp was hij volkomen van slag geraakt toen Lulu, die zich met het oog op het gemaskerde bal als vrouw had vermomd, hem plagerig had proberen te verleiden. Wat was het precies in dat fel opgemaakte gezicht, die watten borsten en die opzichtige kleding dat Victor kort nadien in niet minder dan een neurose zou storten?

Mentaal heen-en-weer pendelend tussen het heden en verleden, tussen de diep in de bossen verscholen villa waar hij overdag schrijft en 's nachts de angstdromen komen waarin zijn inmiddels overleden kleine zusje hem achternazit door eindeloze trappenhuizen, en die vervlogen adolescentie vol zelfingenomen visioenen over een ascetisch, goddelijk geïnspireerd schrijverschap en ambivalente gevoelens jegens de eigen onstuimig opspelende seksualiteit, poogt Victor dit mysterie geleidelijk aan op te helderen. Vrij snel rijpt bij hem het besef dat Lulu niet de ware oorzaak van de crisis kan zijn geweest, maar louter het symptoom - of de 'hiëroglief' zoals hij het zelf noemt - waardoor een onderhuids sluimerende ziektehaard, de slecht geheelde ‘aloude wond’ dus, zich plots in alle hevigheid heeft gemanifesteerd. Omdat zijn pen aanhoudend rond deze pijnlijke plek heen blijft cirkelen, als een scalpel het geïnfecteerde vlees blijft wegsnijden, duurt het echter niet lang of nog meer hiërogliefen treden aan de oppervlakte. Dit zien we bijvoorbeeld wanneer het de hallucinerende Victor voorkomt alsof het beeld van een waternimf, dat de vijver voor het landhuis in Budila versiert, eensklaps een mannelijk lid ontbloot.

Deze twee geslachtsverwisselingen van Lulu en de nimf brengen ons op het intertekstuele spoor van Ovidius. In Boek IV (v. 290-380) van zijn Metamorfosen wordt namelijk de tegenwoordig minder bekende mythe verteld van Hermaphroditus, een zoon van Hermes en Aphrodite:

“Zijn vader én zijn moeder waren in zijn uiterlijk heel goed herkenbaar; ook zijn naam ontving hij van hen beiden: Hermaphroditus. Toen hij zestien jaar was, trok hij weg uit 't bergland van zijn jeugd, hij liet zijn 'voedster' Ida achter om onbekende streken op te zoeken, onbekende stromen te zien; zijn reislust maakte zware tochten licht. Zo kwam hij ook in Lycië; toen bij de Cariërs, buren van Lycië, en daar ontdekte hij een vijver met tot op diepe bodem helder water.”

Opmerkelijk is al meteen het feit dat de zestienjarige Hermaphroditus een hele poos rondreist alvorens in Carië - een landstreek in het huidige Zuid-West-Turkije waar ook Herodotos geboren werd - te belanden, zodat hij waarschijnlijk dezelfde leeftijd als de puber Victor heeft wanneer hij bij deze mooie waterplas arriveert. Hoe het ook zij, nog veel belangrijker in het (schemer)licht van Travestie is de daaropvolgende ontmoeting van Hermaphroditus met de waternimf Almacis die hier blijkbaar woont. Brandend van begeerte bij het zien van deze schone jongeling smeekt Almacis hem aanvankelijk nog het huwelijksbed met haar te delen, maar wanneer hij weigert schrikt ze er niet voor terug hem tijdens een zwempartij te overweldigen. Worstelend in het water bidt zij de goden dat ze nooit meer van elkaar gescheiden zullen worden, waarna de tekst vervolgt:

“Haar wens vond weerklank bij de goden, want zij groeiden samen en werden één persoon uit twee, kregen ook één gezicht. Als iemand takken op elkaar ent tussen boomschors, zie je hoe ze zich samenvoegen, zich gelijk ontwikkelen - zo ook bij hen: aaneengeklit in stevige omhelzing zijn zij geen tweetal, maar een dubbel wezen dat noch vrouw noch man kan heten; het lijkt allebei en geen van beide.”

Alle mannen die daar sindsdien een bad hebben genomen, zo besluit de mythe, zijn er als 'halve man' uitgekomen aangezien dit water voortaan 'de verdorven wonderkracht' bezat te verwijven.

Langzaam maar zeker rijgen de hiërogliefen zich aaneen tot een ontcijferbare boodschap. Zowel de travestiet Lulu als zijn uit Ovidius puttende fantasie over de androgyne nimf wijzen Victor op een verdrongen geheim dat diep in zijn eigen psyche verborgen ligt. In de laatste pagina's van de roman wordt inderdaad de indruk bevestigd - hoewel nooit met zoveel woorden gezegd - dat Victor zelf als kind een operatie heeft moeten ondergaan waarbij aangeboren 'vrouwelijke' lichaamskenmerken zijn ‘gecorrigeerd’, opdat hij volledig als 'man' zou kunnen opgroeien. Zodoende blijkt ook dat het dood gewaande kleine zusje niemand anders was dan Victors vroegere ik, nog een hiëroglief dus.

Kortom, Mircea Cartarescu roert als het ware in het walmende, moerassige onderbewustzijn van een moderne cultuur waar nog steeds een scherp afgebakende man-vrouwdichotomie en het bijbehorende heteroseksuele paradigma overheersen, zodat lichamen en verlangens die niet aan dit model beantwoorden resoluut als 'afwijkend' of 'onnatuurlijk' worden gebrandmerkt. Het westerse tekensysteem, zegt de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan, heeft slechts twee identieke toegangsdeuren voorzien van bordjes, waar op het ene 'dames' en op het andere 'heren' te lezen staat. Elk individu moet door een van deze deuren naar binnen, of het dat nu wil of niet.

Dit alles maakt Travestie tot, zoals Mark Reugebrink het treffend zegt, “een boek waarin elke ironie ontbreekt, waarin alles bloedige ernst is, waarin schrijven bloeden is, de tekst met recht een tekstlichaam, een vlezige woordenbrij of talige vlezigheid is, waarin over de kloof tussen ik en wereld heen gehaakt wordt naar - ja het lijkt wel of er gezocht wordt naar Verlossing?” Ja, de verlossing van een getormenteerd, gemaltraiteerd lichaam dat zich uitstort en, niet zonder masochistische neigingen, verlustigt in het spiegelpaleis van een orgiastische schriftuur. Hoewel ik het met Reugebrink eens ben dat Cartarescu's rijkelijke, barokke proza een flinke dosis zelfrelativering kan gebruiken, betwijfel ik derhalve of die de zeggingskracht van dit boek ten goede zou zijn gekomen. Zeker, deze tekst bulkt van neoromantische pathetiek en schreeuwerig egocentrisme, maar is dit juist niet inherent aan het 'drama' dat de puberteit voor velen ensceneert? Is dat niet het moment waarop talloze jongeren, wanneer ze hun travestietenoutfit in de spiegel ontwaren, voor het laatst wanhopig omkijken naar een van Lacans deuren, die evenwel reeds lang achter hen in het slot is gevallen?

Andere onderwerpen in de categorie Literair werk:

Vermist spiegelkind

24 maart 2019
(Eerste prijs dr. Alam Darsono-verhalenwedstrijd 2019) Staat u even stil, beste bezoeker, want hier lig ik dan, voor u, in klei.
LEES MEER

Ik ben twee: de verstrooide waarneming in Pessoa’s Boek der rusteloosheid

21 december 2015
(Essay verschenen in Wijsgerig Perspectief 55.4 2015, pp. 17-23) Het zal niemand zijn ontgaan dat in kroegen en restaurants de smartphone een vaste en veeleisende tafelgenoot is geworden.
LEES MEER

De onzichtbare foto van Benjamin Péret

03 januari 2013
(Essay verschenen in Vooys, 31.1 2013, pp. 73-76) Onlangs vroeg een kunstfotograaf me welke rol fotografie in mijn onderzoek speelt. Op het eerste gezicht is het niet bepaald een pertinente vraag voor een blinde literatuurwetenschapper als ik.
LEES MEER

Caïssa

13 oktober 2011
(Kort verhaal, ongepubliceerd) Deze schaakpartij, tijdens de avondlijke treinreis van de kust naar het binnenland, heeft iets van een dans, een ritueel dat we schijnbaar mechanisch uitvoeren. Ik weet niet welke hogere macht we er gunstig mee proberen te stemmen - is het de allengs verdwenen onbevangenheid, de herinnering aan ons eigen verle…
LEES MEER

Een vormloze zee van modder en tijd: over Godenslaap van Erwin Mortier

29 mei 2011
(Essay verschenen op ROND1900) Schrift na schrift heeft Helena Demont, de ik-verteller van Godenslaap, haar leven lang gevuld met mijmeringen en gedachten.
LEES MEER

Toen de toerist nog een echte reiziger was

04 mei 2011
(Essay verschenen op ROND1900) Het massatoerisme zoals we dat tegenwoordig kennen is een vrij recent verschijnsel, dat spreekt.
LEES MEER

Vicente Huidobro: herleid tot een lied van louter syllabes

10 april 2011
(Essay verschenen in Poëziekrant, 35.4 2011, pp. 64-70) ‘De dichter is een kleine God’ luidt de titel van een onlangs gepubliceerde bloemlezing van de 150 mooiste gedichten in het Spaans. Deze titel is ontleend aan de "Ars poëtica" van de Chileense dichter Vicente Huidobro (1893-1948) en drukt heel kernachtig diens onwankelbare geloof in de…
LEES MEER

De ontmoeting

05 januari 2010
(Kort verhaal verschenen in De Brakke Hond, 105 2009) Vreemd dat jouw woordeloze verschijning voor mij louter in taal herrijzen kan. Een taal die puntig onder mijn vingertoppen moet groeien, dezelfde vingertoppen waarin de herinnering woekert aan de holte van je elleboog, de zachte belofte van je kleine oorschelp schuilgaand achter zonverhi…
LEES MEER