Ik ben twee: de verstrooide waarneming in Pessoa’s Boek der rusteloosheid

maandag 21 december 2015

(Essay verschenen in Wijsgerig Perspectief 55.4 2015, pp. 17-23)

Het zal niemand zijn ontgaan dat in kroegen en restaurants de smartphone een vaste en veeleisende tafelgenoot is geworden. Om de haverklap onderbreekt iemand even het gesprek om naar een oplichtend schermpje te grijpen. Kennelijk stellen we ons graag bloot aan een voortdurende stroom van foto’s, (re)tweets, chatberichten en nieuwsflitsen die ogenschijnlijk slechts één doel hebben: de aandacht afleiden van de taak die ons op dat moment bezighoudt (in dit geval, een conversatie voeren of een maaltijd gebruiken). Deze nieuwe gewoonte creëert zodoende een atmosfeer van verstrooidheid en onrust. Maar hoewel een dergelijke verstrooiing van de aandacht geheel eigen schijnt te zijn aan het digitale tijdperk, gaat het hoogstwaarschijnlijk om een veel oudere grondtrek van de moderne waarneming. Het is opvallend hoeveel toonaangevende denkers en schrijvers zich vanaf het midden van de negentiende eeuw in het onderwerp hebben verdiept. Zo ook Bernardo Soares, die als een ‘semi-heteroniem’ van Fernando Pessoa geldt, omdat van alle heteroniemen zijn opvattingen en stijl nog het meest overeenkomen met die van Pessoa zelf. Voor deze auteur van het Boek der rusteloosheid betekent de verstrooide waarneming zoveel meer dan louter een gemoedsgesteldheid. ‘[H]et leven zelf is een eeuwige verstrooidheid’, stelt Soares boudweg (Pessoa 2009: 242). Maar wat bedoelt hij daar precies mee? In dit artikel wil ik pogen Soares’ existentiële begrip van de verstrooiing te verhelderen. Zoals ik zal betogen is een verstrooide waarneming niet alleen bepalend voor Soares’ houding jegens zijn stedelijke leefomgeving en de verdeeldheid van zijn bewustzijn (immer gericht op binnen- én buitenwereld), maar levert ze tevens de onuitputtelijke voedingsbodem voor zijn literaire scheppingen. Andere reflecties over de verstrooiing afkomstig van Soares’ tijdgenoten, met name van Walter Benjamin, zullen daarbij voor de nodige aanvullingen en contrasten zorgen.

 

De stad: van blasé naar verstrooide selectie

 

Soares’ verstrooidheid treedt allereerst aan het licht, zodra hij het drukke stadsleven in het vroegtwintigste-eeuwse Lissabon te berde brengt. Hij voelt zich nimmer in staat om de vele zintuiglijke indrukken die op hem afkomen, volledig te bevatten. Neerkijkend op de voorbijgangers vanuit het kantoor waar hij werkt als hulpboekhouder, constateert hij bijvoorbeeld: ‘De mensen die beneden langslopen, zijn altijd dezelfde mensen als degenen die iets eerder langs zijn gelopen, altijd even wazig van uiterlijk, bewegende vlekken, onduidelijke stemmen, dingen die voorbijgaan en er niet toe komen te gebeuren.’ (162) Zijn ‘geestelijke afwezigheid’ belet Soares de mensen beneden als individuele personen waar te nemen, een vorm van verstrooidheid die hij met zoveel andere moderne stedelingen deelt. In een artikel uit 1903 sprak de Duitse socioloog Georg Simmel reeds van de urbane ‘blaséhouding’ die het resultaat zou zijn van overprikkelde zenuwen. In de metropool met zijn hectische verkeer, drommende menigtes en economische bedrijvigheid, dienen de bewoners ervoor te waken hun schaarse nerveuze energie goed te doseren, aldus Simmel. Ze moeten leren zich bewust af te sluiten voor de talloze stimuli. Het gevolg is dat de uniciteitswaarde van de afzonderlijke zintuiglijke gewaarwordingen afneemt en ze schijnbaar meer inwisselbaar worden, zoals ook blijkt uit Soares’ uniformiserende beschrijving van de passanten.

De verstrooide waarneming is dus, in eerste instantie, een bijverschijnsel van een waakzaam bewustzijn dat zich teweerstelt tegen een stortvloed aan externe prikkels. In zijn somberste ogenblikken komt het Soares dan ook voor alsof hij geen eigen zielenleven meer bezit en zijn bewustzijn herleid is tot ‘een abstract middelpunt van onpersoonlijke waarnemingen, een omgevallen spiegel die naar de gevarieerdheid van de wereld is gekeerd.’ (234) Toch blijken deze ‘onpersoonlijke waarnemingen’, die hier nog louter losstaande indrukken zonder enige samenhang of dieperliggende betekenis zijn, geregeld de aanzet te geven tot verfijnde rêverieën. De geringste voorvallen — ‘een verandering vanwege het licht, het opgerolde vallen van een dor blad, een verwelkt bloemblad dat loslaat, een stem aan de andere kant van de muur of de voetstappen van degene die daar spreekt’ (116) – kunnen bij Soares de meest verheven fantasieën en gevoelens oproepen. ‘[I]k vernieuw mij smartelijk bij iedere onbepaalde indruk’ (116), heet het in zijn eigen bewoordingen. Maar hoe valt dit te verklaren? Hoe kan de verstrooide, oververzadigde geest een bron voor de creatieve verbeelding worden?

Walter Benjamin heeft diezelfde vraag opgeworpen en beantwoord in zijn beroemde essay over Charles Baudelaire, de dichter-flaneur die het Parijse stadsgewoel ten tijde van het Second Empire tot thema van de lyriek opwaardeerde. In aansluiting bij Simmel vat ook Benjamin het bewustzijn op als een afweermechanisme tegen een overmaat aan hevige prikkels, aangezien dergelijke ‘shocks’ anders onverwerkt in het geheugen zouden worden opgeslagen en later mogelijk traumatische effecten zouden kunnen hebben. Maar, zo benadrukt Benjamin, naarmate die bewuste schokafweer beter werkt, komt er tevens een gewenningsproces op gang. Geleidelijk leert de verstrooide waarnemer uit de vele sensaties die hem overvallen, die indrukken te selecteren die direct aansluiten bij zijn eigen belangstelling of praktische doeleinden. Anders gezegd, niet alle ‘shocks’ zinken weg in het neutraliserende kussen van de blaséhouding, daar de koortsachtig werkende geest sommige er tijdig weet uit te lichten. Zo wordt de wazige gelijkvormigheid van de perceptuele overdaad alsnog van een persoonlijk stempel voorzien. Baudelaire ving dit selectieproces in een treffend zelfportret; in het gedicht ‘Le soleil’ uit Les fleurs du mal wordt de dichter namelijk voorgesteld als een behendig schermer die, in een stedelijk landschap in een eenzaam steekspel met zijn eigen indrukken verwikkeld, eensklaps over de juiste woorden struikelt of tegen het reeds lang verbeide vers aanloopt (Benjamin 1979: 102-107).

Het gaat er niet om in Soares een heruitgave van de flaneur te zien, want dat is deze teruggetrokken mijmeraar hoegenaamd niet. Wel heeft hij zich net als Baudelaire gaandeweg bekwaamd in de verstrooide selectie, wat in Soares’ geval betekent dat zijn overvoerde bewustzijn er steevast die details uitpikt die irreële vergezichten kunnen openen, voorbij het hier-en-nu. Of het nu een vervaarlijke onweerslucht, de zomerjurk van een meisje in de tram, taferelen in een kerkraam of figuurtjes op een Japans theeservies betreft, alle voeden ze de dromen van de kantoorklerk over een ander bestaan, ergens in de ongerepte natuur, in een onbereikbaar verleden of exotisch oord. Deze specifieke gerichtheid van de verstrooide waarneming verraadt onmiskenbaar de romanticus in Soares. Tal van andere elementen uit zijn omgeving, zoals de wonderen der techniek die de futuristische ingenieur Álvaro de Campos (een ander heteroniem van Pessoa) meteen in het oog zouden springen, laat hij goeddeels buiten beschouwing.

Benjamins analyse attendeert ons op de centrale paradox van Soares’ geestelijke creativiteit: de bewuste gewenning aan alle perceptuele prikkels, die met zoveel weerzin en afstomping gepaard gaat, blijkt een voorwaarde te zijn om het subjectieve scheppingsproces überhaupt mogelijk te maken. Soares laaft zijn verbeelding aan de indrukken die hem soms tegelijk verstikken. Zo vertelt hij over de uiterst zeldzame tochten die hij buiten Lissabon heeft ondernomen: ‘Van iedere reis, hoe kort ook, keer ik terug als uit een slaap vol dromen — warrig versuft, al mijn indrukken aan elkaar geplakt, dronken van wat ik heb gezien.’ (141) Hoewel – zoals verderop nog zal worden besproken – Soares allerlei strategieën ontwikkelt om de hoeveelheid prikkels onder controle te houden, is ook hij wel degelijk vertrouwd met het verslavende effect ervan. Op dit punt verschilt hij maar weinig van de verwende consument of social media-gebruiker wiens belangstelling enkel nog gewekt kan worden door een aanhoudende vernieuwing van de aangeboden goederen en informatie.

 

Het bewustzijn: een glasplaat tussen twee realiteiten

 

Soares beseft zelf dat deze verstrooide manier van waarnemen velen inmiddels tot tweede natuur is geworden. Wat hem echter naar eigen zeggen van andere stervelingen onderscheidt, is dat er voor hem geen wezenlijke hiërarchie bestaat tussen buiten- en binnenwereld: ‘Bij mij hebben de twee realiteiten waarop ik let evenveel betekenis.’ (325) In Soares’ bewustzijn zijn droom en werkelijkheid niet zozeer onontwarbaar met elkaar verweven; veeleer verschijnen ze als twee parallelle werelden naast elkaar: ‘Ik ben twee, en beiden houden afstand tot elkaar — een Siamese tweeling die niet vastzit.’ (25) Weliswaar vindt er tussen beide werelden of bewustzijnsniveaus een voortdurende uitwisseling van beelden en projecties plaats, maar die zijn overwegend zintuiglijk dan wel intellectueel van aard. Op affectief en moreel vlak lijkt iedere integratie van de twee realiteiten daarentegen uitgesloten: ‘Voor alles wat bestaat voel ik een visuele genegenheid, een verstandelijke tederheid — maar niets in mijn hart. Ik geloof nergens in, hoop nergens op, voel nergens liefde voor.’ (233) Zijn immer waakzame bewustzijn dat alles in zijn directe omgeving wil registreren om er de bruikbare details uit te filteren, is stilaan verhard tot een glazen wand tussen zijn innerlijke gevoelsleven en de externe werkelijkheid. Die wand is wel doorzichtig, maar nagenoeg ondoordringbaar. Diep vanbinnen ervaart hij ten overstaan van de externe werkelijkheid uitsluitend ‘visuele genegenheid’ en ‘verstandelijke tederheid’. Oftewel, diezelfde werkelijkheid vermag hem louter als esthetisch spektakel te boeien; hij kan er zich emotioneel niet bij betrokken voelen en koestert walging voor al degenen die deze werkelijkheid in sociaal of politiek opzicht beogen te hervormen.

Ter vergelijking is het zinvol om andermaal kort bij Benjamin te rade te gaan, daar volgens de Duitse filosoof de verstrooide waarneming niet per se tot een dergelijk gebrek aan sociaal-politiek engagement hoeft te leiden, integendeel. Zoals genoegzaam bekend was Benjamin ervan overtuigd dat de nieuwste massamedia, met name film, voorgoed zouden afrekenen met de contemplatieve afstandelijkheid die de traditionele esthetische ervaring had beheerst. Deze media beletten ten enenmale langdurige reflectie en trainen het publiek in de verstrooide perceptie die het moderne, urbane leven ook van hen vergt. ‘Er kwam een dag waarop de film het antwoord was op een nieuwe en dringende behoefte aan stimulerende indrukken’, zo betoogt hij; ‘[i]n de film is de waarneming in de vorm van shocks vormgevend principe geworden.’ (1979: 122) Wat Benjamin zo sterk aanspreekt in film is dat dit medium, door deze training in verstrooidheid, een kritisch potentieel kan aanboren in het ongevormde, grillige denken van de massa. Het dwingt de kijkers tot een receptieve houding, maar leert – toegankelijk en eenvoudig te consumeren als het is – ook onder het kijken een veranderlijk oordeel te vellen. ‘In de bioscoop vallen kritische en genietende houding van het publiek samen’, besluit Benjamin in zijn vermaarde kunstwerkessay uit 1935 (2008: 32). Zodoende zouden bioscoopgangers ‘verstrooide’ critici kunnen worden, die hun weerspannige manier van denken, ook buiten de filmzaal, niet zomaar meer prijsgeven. Door een dergelijke politisering van de (film)kunst zou de massa wellicht wakkergeschud worden en oog krijgen voor het naderende gevaar. Althans, dit is Benjamins vurige hoop in een tijd waarin de fascisten alles in het werk stellen om diezelfde massa met verleidelijke propagandamiddelen te paaien en voor hun moorddadige plannen te winnen.

Zonder hier volledig recht te kunnen doen aan Benjamins complexe argumentatie geeft de bovenstaande samenvatting reeds aan hoezeer de interpretaties van de toenemende verstrooiing van de waarneming uiteen konden lopen. Soares beweegt zich immers in een richting die haaks op die van Benjamin staat: weg van de massa, de snelle oordeelsvorming, de kunst als politiek wapen. Het is veelzeggend dat de instrumenten van de collectieve verstrooiing bij uitstek, de massamedia als film of radio, ook amper voorkomen in de honderden pagina’s van Soares’ overpeinzingen. Ofschoon hij op gezette tijden het stedelijk schouwspel nodig heeft om zijn dromen van nieuwe grondstoffen te voorzien, doet hij er alles aan om de regie van die beeldentoevloed in eigen handen te houden en ligt het bijgevolg niet in zijn aard om het ritme ervan door de technologie te laten bepalen. Zeer direct blijkt deze controledrang al uit zijn gewoonten zich langdurig op levenloze dingen te focussen, of de stad bij nacht dan wel vanuit de hoogte te bekijken. Op die manier bekleedt hij het willoze object van zijn blik met schoonheid en mysterie, maar blijft het op een veilige afstand. Minder direct - zij het zo mogelijk nog effectiever als controlestrategie - is zijn doelbewuste keuze voor het eentonige bestaan van hulpboekhouder. Niet alleen behoedt het gezapige kantoor voor al te heftige commotie, belangrijker is dat, tegen de vale achtergrond van de routine, de minste afwijkende gebeurtenis oplicht als een dramatische scène vatbaar voor Soares’ geestelijke contemplatie.

Terwijl Benjamin Soares’ dadeloosheid en sociaal defaitisme zou afwijzen, keerde Soares zich vol afgrijzen af van de massamens die Benjamin voor ogen stond. De verstrooide waarneming is weliswaar wat hij met die verfoeilijke massamens deelt, maar door zijn perceptie op een hoogst persoonlijke wijze aan te scherpen, wordt ze tevens zijn teken des onderscheids. ‘Van al onze waarnemingen is datgene reëel wat niet van ons is. Dat wat de waarnemingen gemeenschappelijk hebben vormt de werkelijkheid’, dient ook Soares te erkennen, zodat hij als individu in die collectieve werkelijkheid geen bestaansgrond vindt. Echter, in die andere, innerlijke realiteit kan hij als estheet van de gewaarwordingen wonderwel gedijen: ‘Daarom zit onze individualiteit bij onze waarnemingen slechts in het deel dat niet aan de werkelijkheid beantwoordt. Wat zou ik blij zijn als ik de zon ooit scharlakenrood zou zien! Die zon zou zo van mij zijn, alleen van mij!’ (Pessoa 2009: 387) Rest ons thans die allerindividueelste, innerlijke pool van zijn ‘twee realiteiten’ nader te onderzoeken.

 

Het dagboek: van analyse naar (meervoudige) droom

 

In de vroege twintigste eeuw had de verstrooide waarneming de kwalijke reputatie heel oppervlakkig te zijn: ze zou slechts resulteren in vluchtige indrukken en belevenissen die zich niet meer lieten inpassen in een betekenisvol narratief of coherent tijdskader (van de religieuze of wereldlijke traditie bijvoorbeeld). Veel auteurs hebben zich destijds dan ook afgevraagd of binnen een dergelijke constellatie van losse momentopnames wel nog zoiets als een verdiepende ervaring denkbaar was. Zoals we eerder zagen, situeerde Benjamin die mogelijke verdieping van de verstrooidheid in een sociaal-politieke bewustwording. Voor Soares daarentegen, diende ze veeleer via de literaire introspectie gevonden te worden. Al schrijvend ontwikkelt hij meer bepaald de introspectieve methoden van de analyse en de droom die zijn innerlijke realiteit moeten blootleggen.

Om met de analyse te beginnen, langs deze weg kan men volgens Soares alvast de nodige diepgang bereiken: ‘Echte ervaring bestaat in het beperken van het contact met de werkelijkheid en het verhogen van de analyse van dat contact. Zo verbreedt en verdiept het gevoel zich, want alles bevindt zich in ons’ (156). Voor Soares mogen indrukken en gevoelens geen passieve aandoeningen van het bewustzijn blijven, maar moeten ze nauwgezet geregistreerd en ontleed worden. Een dergelijke zelfanalyse strookt ook met het credo uit het manifest ‘De sensationist’, dat een ‘wetenschap van de gewaarwording’ als hoogste levensdoel verkondigt in een tijd waarin het geloof in de transcendentie tanende is (566). Hoewel sommigen ‘De sensationist’ wellicht niet tot het Boek der rusteloosheid zouden rekenen en deze tekst eerder aan de Campos zouden toeschrijven, laat dit onverlet dat vele van Soares’ dagboekaantekeningen het sensationistische voorschrift wel degelijk ter harte nemen. Grote delen van het dagboek bestaan uit minutieuze observaties van Soares’ eigen bewustzijn, waarbij hij zich niets gelegen laat liggen aan de geijkte fysiologische of psychologische verklaringsmodellen: als een geoefend fenomenoloog bestudeert hij de verschijnselen zoals ze zich binnen zijn bewustzijn voordoen en laat hij ze voor zich spreken. Het feit dat ik in dit artikel de verschillende aspecten van zijn verstrooide waarneming kan reconstrueren – het selectievermogen, de twee realiteiten enzovoort –, is het rechtstreekse gevolg hiervan. Dankzij Soares’ zelfanalyse krijgt de verstrooidheid, kortom, een extra dimensie als fenomenologisch studieobject.

Zodra de verbeelding het evenwel overneemt van de analytische ratio, wordt ook de verstrooide waarneming op een andere, niet minder verrijkende manier aangewend. Dan is ze namelijk niet langer onderzoeksobject maar werktuig van het dromend bewustzijn. Zoals eerder werd opgemerkt grijpt Soares het kleinste detail of voorval aan dat hem imaginair vermag weg te voeren. Op dat soort ogenblikken verkrijgt een sporadische indruk voor Soares ineens de reikwijdte van een weids droombeeld, een uitgesponnen dialoog of zelfs van een geheel andere persoonlijkheid. Wanneer hij op straat een voor hem onbekend gezin passeert, meent hij zich tegelijk te kunnen inleven in de vader, de moeder, de kinderen en de dienstmeid. ‘Ik heb verschillende persoonlijkheden in mij geschapen. (…) Iedere droom van mij wordt, onmiddellijk als ik hem krijg, belichaamd in een andere persoon, die hem dan in mijn plaats verderdroomt.’ (323) Hier blijkt dat ook binnen Soares’ innerlijke (droom)realiteit de verstrooidheid nooit afwezig is. Sterker nog, daar bereikt ze zelfs haar meest idiosyncratische vorm in de meervoudige persoonlijkheid: ‘Om te scheppen heb ik mij vernietigd; ik heb mij innerlijk zo veruitwendigd dat ik binnen in mij slechts uitwendig besta. Ik ben het levende podium waarop verschillende acteurs lopen die verschillende stukken spelen.’ (324) Dit laatste citaat roept een belangwekkende vraag voor vervolgonderzoek op, namelijk in hoeverre de verstrooide waarneming ook ten grondslag heeft gelegen aan Pessoa’s volledige heteroniemenproject (zeker wanneer we bedenken dat Soares als semi-heteroniem mogelijk vrij getrouw Pessoa’s eigen innerlijk drama opvoert). Bovendien, welke rol speelde de verstrooidheid in het feitelijke ontstaansproces van Pessoa’s teksten – het Boek der rusteloosheid incluis – die de auteur bij leven zelden publiceerde, veelvuldig herzag en herordende, zodat het altijd fragmenten van niet samengestelde boeken bleven (Stoker 2009)?

Voor de fictieve Bernardo Soares geldt in ieder geval wel dat de verstrooide waarneming pas waarlijk creatief wordt tijdens het schrijven. Wat uit de externe werkelijkheid tot hem doordringt, gefilterd door de afstandelijke blik en het gespannen bewustzijn, komt door middel van woorden voelbaar nabij: ‘Woorden zijn voor mij tastbare lichamen, zichtbare sirenen, belichaamde zinnelijkheid. Misschien omdat de echte zinnelijkheid geen enkel belang voor mij heeft — zelfs niet geestelijk of in de droom — is bij mij het verlangen verschoven naar datgene wat woordritmes in mij schept of opvangt van anderen.’ (285) Anders gezegd, door zijn literaire analyses en dromen eigent Soares zich onpersoonlijke indrukken en zelfs andermans levens toe. Hij omhult ze als het ware met de intimiteit van zijn zinnelijke stijl. Maar de verstrooide waarneming zou niet de drijvende kracht achter dit scheppingsproces zijn, indien het zich ooit liet stuiten: ‘Alles in mij heeft de neiging onmiddellijk iets anders te worden, mijn ziel heeft geen geduld met zichzelf, (…) en een onveranderlijke rusteloosheid neemt almaar toe.’ (25) Hoe scherpzinnig een bepaalde fenomenologische observatie ook is, hoe bedwelmend ook het poëtisch (droom)beeld dat hij aan het papier ontlokt, de gewenning en verslaving aan nieuwe gewaarwordingen dwingen Soares aanstonds weer de pen op te pakken. Bijgevolg lijkt de verstrooide waarneming de fragmentarische dagboekvorm bij voorbaat te dicteren, evenals de eeuwige onvoltooidheid ervan.

We kunnen dus besluiten dat, alle pogingen tot afscherming en controle ten spijt, Soares tot in zijn innigste droomwereld een verregaande verstrooidheid ervaart. Ook daar is geen rust of stabiliteit te vinden. Het zorgt voor een onuitroeibaar gevoel van vervreemding en thuisloosheid dat heel zijn dagboek doortrekt: slechts in twee realiteiten tegelijk kan hij als verstrooide waarnemer en verdeelde ziel bestaan. Toch blijkt uit de dialoog tussen Soares en Benjamin dat deze verstrooidheid lang niet zo afstompend werkt als zo vaak wordt gevreesd. Ze kan evengoed de impuls vormen voor een uiterst productieve verbeelding of een sociaalkritische reflectie. Zou dit vroegtwintigste-eeuwse inzicht in de verstrooidheid een afdoende remedie zijn tegen de ergernis aan appende disgenoten?

 

Bibliografie

 

Benjamin, W. (1979), Baudelaire: een dichter in het tijdperk van het hoog-kapitalisme. Vert. Wim Nooteboom. Amsterdam: De Arbeiderspers.
---. (2008), Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid en andere essays. Vert. Henk Hoeks. Amsterdam: Boom.
Pessoa, F. (2009), Boek der rusteloosheid. Vert. Harry Lemmens. Amsterdam [etc.]: De Arbeiderspers.
Simmel, G. (1971), The metropolis and mental life. In: G. Simmel, On individuality and social forms. Chicago [etc.]: Chicago UP, 324-339.
Stoker, M. (2009), Fernando Pessoa: de fictie vergezelt mij als mijn schaduw. Utrecht: IJzer.

Andere onderwerpen in de categorie Literair werk:

De onzichtbare foto van Benjamin Péret

03 januari 2013
(Essay verschenen in Vooys, 31.1 2013, pp. 73-76) Onlangs vroeg een kunstfotograaf me welke rol fotografie in mijn onderzoek speelt. Op het eerste gezicht is het niet bepaald een pertinente vraag voor een blinde literatuurwetenschapper als ik.
LEES MEER

Caïssa

13 oktober 2011
(Kort verhaal, ongepubliceerd) Deze schaakpartij, tijdens de avondlijke treinreis van de kust naar het binnenland, heeft iets van een dans, een ritueel dat we schijnbaar mechanisch uitvoeren. Ik weet niet welke hogere macht we er gunstig mee proberen te stemmen - is het de allengs verdwenen onbevangenheid, de herinnering aan ons eigen verle…
LEES MEER

Een vormloze zee van modder en tijd: over Godenslaap van Erwin Mortier

29 mei 2011
(Essay verschenen op ROND1900) Schrift na schrift heeft Helena Demont, de ik-verteller van Godenslaap, haar leven lang gevuld met mijmeringen en gedachten.
LEES MEER

Toen de toerist nog een echte reiziger was

04 mei 2011
(Essay verschenen op ROND1900) Het massatoerisme zoals we dat tegenwoordig kennen is een vrij recent verschijnsel, dat spreekt.
LEES MEER

Vicente Huidobro: herleid tot een lied van louter syllabes

10 april 2011
(Essay verschenen in Poëziekrant, 35.4 2011, pp. 64-70) ‘De dichter is een kleine God’ luidt de titel van een onlangs gepubliceerde bloemlezing van de 150 mooiste gedichten in het Spaans. Deze titel is ontleend aan de "Ars poëtica" van de Chileense dichter Vicente Huidobro (1893-1948) en drukt heel kernachtig diens onwankelbare geloof in de…
LEES MEER

De ontmoeting

05 januari 2010
(Kort verhaal verschenen in De Brakke Hond, 105 2009) Vreemd dat jouw woordeloze verschijning voor mij louter in taal herrijzen kan. Een taal die puntig onder mijn vingertoppen moet groeien, dezelfde vingertoppen waarin de herinnering woekert aan de holte van je elleboog, de zachte belofte van je kleine oorschelp schuilgaand achter zonverhi…
LEES MEER

De maskerade van het geslacht: over Travestie van Mircea Cartarescu

03 oktober 2009
(Ongepubliceerd essay) Voor de 34-jarige auteur Victor, de ik-verteller van Mircea Cartarescu’s roman Travestie (1996), is schrijven allerminst een vermakelijk tijdbedrijf. Dit wordt gelijk duidelijk uit zijn ietwat lugubere beginselverklaring:
LEES MEER