Malva: over Neruda’s vergeten dochter of de schoonheid van het ‘onvolmaakte’

donderdag 15 september 2016

(Lezing gegeven bij CAANS in Montréal)

 

Zonder twijfel heeft ieder van u wel eens gehoord van de Chileense dichter Pablo Neruda (1904-1973). Misschien komt er nu wel spontaan een beroemd liefdesvers van Neruda bij u naar boven, zoals ‘Quiero escribir los versos más tristes esta noche’ [“Vannacht zou ik zeer trieste verzen kunnen schrijven / Bijvoorbeeld schrijven: ‘De nacht is aan scherven gevallen, / En ver weg huiveren de sterren blauw’”] (vert. Barber van de Pol). Of u denkt wellicht aan Michael Radfords film Il postino uit 1994, waarin we Philippe Noiret in de rol van een eenzaam mijmerende Neruda zien die ergens teruggetrokken op een Italiaans eilandje leeft en in zijn huisje hoog in de heuvels geduldig wacht op de dagelijkse bezoekjes van zijn trouwe postbode Mario. Dit plot was overigens volkomen verzonnen, maar de film is tekenend voor de wijze waarop Neruda doorgaans herinnerd wordt, als sympathisant van de kleine man, als lyrisch voorvechter van het armlastige volk. Zijn communistisch gedachtegoed getrouw bezong hij in zijn magnum opus het Canto General (1950), een monumentaal werk van meer dan vijftienduizend verzen, het erbarmelijke lot van de eenvoudige boeren en arbeiders in Latijns-Amerika. Het betrof hier grootse Kunst die het populaire verzet tegen de uitbuiting door het grootkapitaal moest aanwakkeren, een intentie die ook de Griekse componist Mikis Theodorakis maar al te scherp onderkende, toen hij begin jaren zeventig gedeeltes van het Canto general toonzette en vervolgens met koor en orkest in afgeladen stadions ten gehore bracht. Misschien heeft u er zelfs nog een opname van in uw platenkast staan, met name van dat legendarische concert in München waarbij Maria Farantouri en Petros Pandis als solisten optraden. Hoe dan ook, pas sinds kort weten we dat Neruda, deze welbespraakte ‘kameraad’ der verschoppelingen, angstvallig het stilzwijgen heeft bewaard over het bestaan van zijn eigen dochtertje en enig kind Malva. De reden voor dit stilzwijgen was tegelijk simpel en onthutsend: Malva was met een ernstige afwijking ter wereld gekomen, en haar vader heeft dit nooit kunnen verkroppen. Vanavond zullen wij het vooral over dit vergeten meisje hebben, en voor een keertje wat minder over haar alom gevierde papa-lief.

 

De pijn van de ontkenning

 

Terwijl er over haar vader hele bibliotheken vol zijn geschreven, is het feitenmateriaal over de historische Malva uiterst schaars. Deze luttele gegevens laten niettemin enkele verrassende connecties met Nederland zien, en dit is dan ook de eerste reden waarom ik ervoor gekozen heb Malva hier vanavond als centraal personage op te voeren. Zij was immers de vrucht van Neruda’s eerste huwelijk met de Nederlands-Indische Maria Hagenaar. Neruda had deze charmante secretaresse van een Nederlands handelshuis in 1930 ontmoet in Batavia, waar hij als Chileens diplomaat was gedetacheerd. Maria was toen zelf al dertig en moest, in overeenstemming met de zeden van die tijd, als ‘overgebleven’ dochter maar zo snel mogelijk trouwen; het huwelijk werd bijgevolg nog hetzelfde jaar voltrokken. In 1932 verliet Maria haar geboorteland voorgoed om haar echtgenoot te volgen, eerst terug naar Zuid-Amerika en twee jaar later naar Madrid, waar hij opnieuw als consul was aangesteld. ‘Maruca’, zoals Neruda zijn vrouw pleegde te noemen, was op dat ogenblik ook voor de eerste maal zwanger. Op 18 augustus 1934 beviel ze van Malva Marina Hagenaar Reyes, zoals het meisje voluit heette (Neruda’s echte naam luidde immers Neftalí Reyes). Spoedig na de geboorte bleek er echter iets grondig mis te zijn: het kindje leed namelijk aan ‘hydrocefalie’ oftewel, ze had een waterhoofd. De Madrileense artsen zagen het erg somber in; de kersverse ouders kregen te horen dat hun dochtertje een zeer lage levensverwachting had en haar intellectuele ontwikkeling sterk geremd zou worden. Hoewel dit trieste nieuws natuurlijk voor beide ouders als een schok moet zijn gekomen, was het vooral Neruda die zich absoluut geen raad wist met de situatie. De toenemende zorg voor de kleine Malva betekende algauw de doodsteek voor een huwelijk dat toch al enkele jaren in het slop verkeerde. Toen in Madrid de politieke spanningen almaar verder opliepen – de Spaanse Burgeroorlog stond voor de deur -, liet Neruda onder het mom van hun veiligheid zijn vrouw en kind alleen naar Barcelona vertrekken. Zelf bleef hij in Madrid, waar hij het intussen had aangelegd met de Argentijnse Delia del Carrill die na verloop van tijd ook zijn tweede vrouw zou worden. Uiteindelijk reisde Maria/Maruca in 1936 vanuit Barcelona naar Den Haag waar nog enige verwanten van haar woonden. Met het weinige kostgeld dat Neruda haar stuurde, kon ze het evenwel bij lange na niet rooien, zodat ze zelf weer aan het werk moest om de verzorging van haar dochtertje te kunnen blijven bekostigen. Ondertussen diende de kleine Malva, kort voor de oorlog, bij een pleeggezin in Gouda te worden ondergebracht. Ondanks de penibele oorlogsomstandigheden deed deze familie Julsing haar best om het meisje, samen met de andere kinderen van het gezin, een warme thuis te geven. Maar niemand kon verhinderen dat de ziekte ten slotte haar tol eiste: Malva overleed vrij plotseling op 2 maart 1943 – nog geen negen jaar oud – en werd in Gouda begraven.

 

Meer weten we in feite niet van de historische Malva, en zelfs dit handjevol data zou geruisloos in de gulzige vergeetput van de geschiedenis zijn verdwenen, indien haar laatste rustplaats niet in 2004 was (her)ontdekt door de Nederlandse vertaalster Giny Klatser. Klatser was bij het vertalen van de memoires van Matilde Urrutia, Neruda’s weduwe en derde echtgenote, op het spoor gekomen van Maruca Hagenaar en bleef dit volgen totdat ze bij een verwaarloosd, Indisch grafje op een Goudse begraafplaats uitkwam. Klatsers vondst, waarover ze zelf vertelt in deze minidocumentaire, kreeg weliswaar enige weerklank in de media, maar prikkelde toch voornamelijk de verbeelding van een aantal vooraanstaande schrijfsters. Zo publiceerde Pauline Slot in 2010 de roman En het vergeten zo lang, waarin ze Maruca’s bewogen levensverhaal reconstrueert (de titel is overigens andermaal een citaat uit het fameuze ‘Poema 20’ dat ik eerder aanhaalde en dat te vinden is in Veinte poemas de amor y una canción desesperada). Nadien voegde Slot hier nog een boeiend artikel aan toe over Maruca’s gevangenschap in kamp Westerbork. Nauwelijks een jaar geleden verscheen dan het boek Malva van Hagar Peeters, waar ik me vanavond graag met u over zou willen buigen.

 

De titel is al meteen veelzeggend: eindelijk is het de beurt aan de kleine meid zelf om de balans op te maken van haar ogenschijnlijk zo onbetekenende bestaan. In de stijl van het Latijns-Amerikaanse magisch-realisme doet Malva dit over de grenzen van de dood heen; vanuit het hiernamaals neerkijkend op het aardse gewoel, heen-en-weer fladderend door de tijd, dicteert Malva haar wederwaardigheden en die van haar beide ouders aan Hagar, die als haar secretaris fungeert. Deze hechte samenwerking in het schrijfproces tussen de fictieve Malva en Hagar weerspiegelt de sterke verbondenheid die Peeters voor het lot van Maruca’s dochter voelt; zoals uit talloze passages van de roman blijkt en Peeters ook in verscheidene interviews heeft bevestigd, werd zijzelf immers gedurende de eerste elf jaar van haar leven door haar moeder alleen opgevoed, omdat haar vader, Herman Vuijsje – opnieuw een schrijver met grootscheepse revolutionaire ideeën -, haar systematisch loochende. Het schurende besef een ontkend kind te zijn loopt bijgevolg als een nooit volledig geheelde snee door de tekst. In het geval van Malva wordt de pijn van de ontkenning bovendien nog versterkt doordat ze in de ogen van haar vader zelfs nooit een volwaardig mens is geweest. In de memoires rept de dichter met geen woord over haar. Citerend uit Neruda’s postuum teruggevonden correspondentie vertelt Malva gekwetst:

 

“Tot een paar jaar na mijn geboorte kende hij me nog. Hij noemde me in brieven, niet bedoeld voor publicatie, 'een vampier van drie kilo, een bloedzuigster, een gedrocht, het monster, un ser perfectamente ridículo, een volmaakt belachelijk wezen', dankzij mijn onaanzienlijke lijfje en mijn reusachtige hoofd. Hij noemde me - taalvorst die hij was - een 'puntkomma'!”

 

Misschien waren Neruda’s omschrijvingen van zijn boorling niet zo kwaad bedoeld als ze op het eerste gezicht lijken en moeten we ze met het nodige korreltje ironie nemen. Niettemin zijn deze boosaardige ‘koosnaampjes’ wel erg bitter om te slikken in het licht van zijn daaropvolgende laffe vluchtgedrag, toen hij zich definitief onttrok aan de verantwoordelijkheid voor zijn zorgbehoevende kind. Het is Peeters, in de hoedanigheid van Malva, er echter niet om te doen de Chileense Nobelprijswinnaar alsnog aan de schandpaal te nagelen. In een interview met NRC Handelsblad zei de schrijfster hier zelf het volgende over: “Als ik nu een rancuneus, giftig boek had gemaakt dan was het niet goed geworden, maar een kleinzerig boek. Goed, heel soms is Malva ook een stampvoetend kind. Dat maakt haar als dode ook wel menselijk.”

 

Vaderlijk geloof in normaliteit

 

Dit wil nog niet zeggen dat Neruda zomaar vrijuit gaat – de grote dichter en wereldverbeteraar heeft zich hier zonder twijfel van een zeer kleinzielige kant laten zien -, maar Malva begrijpt dat ze lang niet de enige is die vanwege haar beperking als onvolwaardig werd beschouwd en daarom verstoten. Zo sluit ze in het hiernamaals vriendschap met onder anderen Lucia Joyce, de zogenaamd schizofrene dochter van James Joyce, en met de zoon van de gerenommeerde toneelschrijver Arthur Miller, Daniel, die het syndroom van Down had. Ook deze twee, van de norm afwijkende kinderen hebben het zwaar te verduren gekregen; Arthur Miller, bijvoorbeeld, plaatste zijn zoontje al een week na diens geboorte in een instelling en wist de jongen vervolgens veertig jaar lang voor de buitenwereld te verbergen.

 

In de harteloze handelwijze van deze falende vaders die, ondanks hun artistieke gaven en fenomenale verbeeldingskracht, geen zinnig antwoord wisten te bieden op de lichamelijke en geestelijke diversiteit in hun directe omgeving, openbaart zich een diepgewortelde angst binnen onze moderne, westerse cultuur. Sinds de Verlichting zijn we het menselijk lichaam, de geestesvermogens incluis, gaan benaderen als een handzaam apparaat, een werktuig dat aan onze wil tot handelen moet gehoorzamen en uitdrukking moet geven aan een zelfgekozen identiteit. Ieder individu wil zelf kunnen bepalen wat hij/zij doet en kan, en hoe hij/zij zich uiterlijk voordoet aan anderen. Maar wat als datzelfde lichaam ons tegenwerkt, met al zijn nukken en grillen, kwalen en tekortkomingen onze mogelijkheden inperkt? Dan kunnen we dit onder geen beding accepteren, dan schreeuwen we moord en brand, en stellen al onze hoop in de geneeskunde en in technologische hulpmiddelen om die tegensputterende machine van ons weer gesmeerd te doen lopen. In de wetenschap spreken we derhalve ook wel van de medische kijk op beperkingen (‘the medical model of disability’): daarbij wordt een handicap of chronische ziekte gereduceerd tot een (psycho)somatische gesteldheid die het succesvol functioneren van een persoon belemmert en dus, liever vandaag dan morgen, verholpen moet worden.

 

Met andere woorden, de realiteit van onze eigen sterfelijkheid en die van onze geliefden houden we het liefst zo lang mogelijk buiten de deur. Totdat we, op een dag, tot ons afgrijzen die gevreesde ziekten ineens toch in ons eigen huis aantreffen; zoals Neruda wanhopig dichtte omstreeks Malva’s geboorte: “op dat ogenblik waarop de dag valt met geknakte vleugels / is er slechts gesnik / niets meer dan gesnik / want enkel lijden / uitsluitend lijden / en niets meer dan gesnik”. Dit is uiteraard een zeer begrijpelijke, eerste reactie: welke aanstaande ouders hopen er niet op een gezonde baby? Jammer genoeg wordt een dergelijke reactie van teleurstelling en verdriet veelal ingegeven door de wijdverbreide misvatting dat het leven met een beperking per definitie een lijdensweg betekent en nooit ofte nimmer enige levenskwaliteit kan bieden. Dit is pertinent onjuist: om te beginnen gaan lang niet alle aandoeningen gepaard met lichamelijk onbehagen of pijn, zodat personen met een handicap vaak evenveel geluksmomenten en moeilijke periodes kennen als ‘gezonde’ mensen. Hun welzijn hangt voorts af van de mate waarin hun naasten hen (kunnen) ondersteunen en de maatschappij op hun noden is bedacht (daarover straks nog meer). In het geval van de historische Malva lijkt het er alvast op dat het meisje gedurende haar korte bestaan geenszins ongelukkig was. Gelet op de brieven van haar moeder en de latere verklaringen van haar pleegbroer Julsing was Malva juist een erg lief kind dat veel belangstelde in wat om haar heen gebeurde en vaak stralend lachte.

 

Als we ziekten en handicaps louter opvatten als een medisch vraagstuk, maken we er een strikt individuele aangelegenheid van: iemand (patiënt X) heeft gewoon de brute pech om met een kapotte machine (lichaam/geest) opgescheept te zitten. In feite gaan we dan stilzwijgend voorbij aan wat misschien wel de grootste moeilijkheid is die het leven met een beperking meebrengt, namelijk het sociale stigma van ‘abnormaliteit’ dat eraan kleeft en structurele ongelijkheid in de hand werkt. Het zogenaamde ‘normale’, gezonde lichaam waartegen de gehandicapte persoon altijd zo ongunstig afsteekt, is een relatief recente uitvinding. Ze dateert van omstreeks 1830, toen Franse en Engelse statistici de kenmerken van bevolkingsgroepen (gaande van lichaamsafmetingen, huidkleur tot gezondheidstoestand en intelligentie) inventariseerden om zodoende het gangbare gemiddelde, de ‘norm’, te bepalen. De idee achter deze sociaalstatistische staalkaarten was dat ze overheden in staat zouden stellen, door middel van toegespitst beleid, de positieve, bovengemiddelde eigenschappen te stimuleren en de negatieve juist zoveel mogelijk te ‘corrigeren’. Als gevolg hiervan werden fysieke handicaps, geestesziekte en criminaliteit al spoedig onder dezelfde noemer geschaard van ‘abnormaal en onwenselijk’. Binnen de maatschappelijke domeinen van onderwijs, justitie en gezondheidszorg is de normalisering sindsdien uitgegroeid tot een van de voornaamste meetinstrumenten die de enorme diversiteit aan individuen in beheersbare categorieën indeelt. Het vreemde is evenwel dat gaandeweg de norm zijn aanvankelijk descriptieve functie heeft verloren en het karakter van een dwingend streefdoel heeft aangenomen. Zo is het ‘normale’ gezicht dat we dagelijks in de media en de reclame krijgen voorgespiegeld, zorgvuldig geselecteerd, strakgetrokken of gefotoshopt en dus verre van het reële gemiddelde. Mensen met een beperking komen er zelden of nooit in beeld, terwijl ze in de meeste westerse landen tien percent van de bevolking uitmaken (op wereldschaal zelfs zeventien percent volgens de recentste cijfers van de WHO).

 

De moorddadige drang naar perfectie

 

Hoe het ook zij, voor de fictieve Malva, die zich bijwijlen ontpopt tot een heuse cultuurcritica, schuilt bij al dat normeren en categoriseren de kern van de ellende in onze eeuwige drang naar perfectie:


“Geloof in het bestaan van perfectie is de bron van bijna alle kwaad, dat zeg ik je, want de keerzijde ervan is het geloof in een zondebok. Het staat aan de basis van ons streven naar die perfectie, van eugenetica, sociaal darwinisme, nationaalsocialistische zuiverheid, fascisme, godsdienstfanatisme en veel van al het andere slechte waarin de mensen de dieren overtreffen, al wat ze elkaar willens en wetens hebben aangedaan en elkaar aandoen. Dat is voor zover ik stellig ben mijn stellige overtuiging. Al beweerde de filosoof Sokrates dat niemand willens en wetens kwaad doet. Als Sokrates gelijk had, zouden de mensen in moreel opzicht gelijk zijn aan de planten en de dieren, die daadwerkelijk niet willens en wetens kwaad kunnen doen. Mensen verschillen volgens mij juist van al het andere leven op aarde omdat ze wel die keuze hebben; en de gulden snede bepaalt wie en wat er wel of niet bij hoort, waarbij wie of wat er niet bij hoort in het gunstigste geval wordt genegeerd, en in het slechtste vernietigd, met als rechtvaardiging deze of gene potsierlijke theorie.”

 

Dit korte fragment bevat enkele uiterst fundamentele inzichten. In de eerste plaats verwijst Malva hier naar de menselijke verknochtheid aan formele perfectie waarvan de zogenaamde ‘gulden snede’ het grondprincipe zou zijn: een terugkerende, wiskundige verhouding die we zowel in de natuur als de kunst aantreffen en bijgevolg een universeel ideaal van harmonie en schoonheid zou vertegenwoordigen. In wezen zou de esthetiek - en in het verlengde daarvan de gehele sociale ordening - immer harmonische volmaaktheid beogen; binnen een dergelijk referentiekader hebben ‘mismaakte’ mensen natuurlijk geen schijn van kans. Maar ofschoon Malva gelijk heeft dat deze visie op kunst en schoonheid vrij gangbaar is, gaat het toch slechts om een oppervlakkige, elitaire visie. Over het daadwerkelijke, historische belang van die gulden snede bijvoorbeeld zijn de meningen van specialisten sterk verdeeld, maar het gebruik ervan is hoe dan ook niet universeel. Wie hier wel in gelooft, projecteert au fond een westers, neoklassiek schoonheidsbegrip op de volledige geschiedenis. Dan gaat men al te snel voorbij aan heel wat artistieke genres en stijlen die veeleer het grillige, het groteske, het fragmentaire en bizarre boven de gaafheid verkozen; denken we maar aan de volkse optochten rond carnaval, de decoratieve overdaad van de barok, de Romantische fascinatie voor het verval of de vroegtwintigste-eeuwse avant-gardes die het welmenende publiek veelal poogden te choqueren. Het neoklassieke, harmonische schoonheidsideaal heeft echter nog andere kunsthistorische mythen in het leven geroepen. Zo heetten de oude Grieken geobsedeerd te zijn geweest door perfecte lichamelijke verhoudingen, zodanig zelfs dat misvormde baby’s zouden hebben laten verhongeren. Van dergelijke kindermoorden blijkt echter, volgens een recent onderzoek van classica Martha Rose, geen spoor terug te vinden te zijn in de beschikbare Griekse bronnen; in haar boek The Staff of Oedipus schetst Rose een veel genuanceerder beeld van de oud-Griekse polis waar mensen met een beperking blijkens haar analyses alle mogelijke sociale posities konden bekleden, van volslagen gemarginaliseerd tot uiterst prestigieus.

 

Wat nauw met de cultus rond perfectie samenhangt en waar Malva in het bovenstaande citaat vooral onze aandacht op vestigt, is dat niet zozeer de lichamelijke en geestelijke diversiteit van de mens het probleem vormt, als wel hoe een bepaalde samenleving hiermee omgaat. Anders gezegd, hoe tolerant wordt er op zichtbare of anderszins merkbare verschillen gereageerd? De aangeboren of in de loop van het leven verworven handicap (in het Engels ‘impairment’) wordt feitelijk pas een hinderlijke beperking (in het Engels ‘disability’) binnen een fysieke ontoegankelijke of in sociaal-cultureel opzicht vijandige omgeving. Het is waar dat de historische Malva niet kon lopen en slechts enkele woordjes spreken, maar degradeert dit haar tot een minderwaardig wezen, zoals haar vader wel scheen te geloven? Helaas was Neruda absoluut niet de enige die er destijds zo over dacht. De fictieve Malva beseft terdege dat de goede zorgen van haar moeder en de familie Julsing haar voor een gruwelijk lot hebben behoed:

 

“Ik mag trouwens wel van geluk spreken dat ik in Gouda werd ondergebracht. Zou ik een paar honderd kilometer verderop zijn terechtgekomen, bij onze in die tijd nogal hachelijke oosterburen, dan kon ik het al veel eerder schudden met dat hoofd van mij, zo hard dat ze het in Keulen hoorden klotsen. We stonden daar op de tweede plaats van een gehandicapten-uit-de-weg-ruim-verlanglijst. Alleen de mongolen waren in de ogen van de nazi's ernstiger aan hun overlijden toe.”

 

Malva’s zwarte grappen zullen menige tere ziel af en toe ontzet doen opkijken. Toch is dit soort humor een ernstige zaak en mogelijk het voortreffelijkste wapen van de geweldloosheid. Door middel van haar sarcastische zelfrelativering doet Malva de onschuld van de hulpeloze slachtoffers des te scherper afsteken tegen de achtergrond van de volkomen dolgedraaide vernietigingslogica die de nazi’s hanteerden. Bovendien beschermt de zelfspot haar tegen de vernedering van het medelijden; wie medelijden koestert jegens een ander, is vóór alles bezig zichzelf een goed en invoelend mens te vinden, terwijl hij “die arme stakker daar” onbewust kleineert, hem of haar trots en waardigheid ontzegt. Mensen met een beperking dienen uiterst beducht te zijn voor die vaak goedbedoelde maar nefaste pathetiek, aangezien die zogenaamde compassie slechts de ‘normale’ sociale hiërarchie van gezonden en zieken bestendigt. In verschillende Nederlandse romans van de afgelopen decennia vinden we, behalve Malva, gelukkig nog meer gehandicapte protagonisten die geen blad voor de mond nemen. Zo zijn er de blinde student en stand-up comedian Otto Iking, het alter ego van Vincent Bijlo, en de nagenoeg volledig verlamde Frans Hermans, de chroniqueur van het dorpje Lomark uit Tommy Wieringa’s Joe Speedboot, die hoegenaamd niemand sparen voor het fileermes van hun spotlust, zichzelf nog wel het minst. Het maakt hen, stuk voor stuk, tot complexe, zelfbewuste persoonlijkheden met een rijke gevoels- en gedachtewereld, die zich niet langer in stereotiepe hokjes laten drummen.

 

Een takje zout op jouw mond

 

Malva levert zodoende het treffende bewijs dat literatuur de meest onverwachte perspectieven vermag te openen, ons als lezers de kans biedt ons in ‘abnormale’ lichamen en geesten in te leven, kortom het gordijn van vooroordelen en onverdraagzaamheid dat ons blikveld verengt, open te rukken. In het geval van Neruda’s verzwegen dochter gaat het daarbij niet alleen om de stemloze een stem geven; vanuit het hiernamaals kan Malva tevens de ganse eeuw van haar vader overzien, alle mogelijke geschriften lezen, en zich vrijelijk door ruimte en tijd bewegen. Je zou hierbij de kanttekening kunnen plaatsen dat dergelijke fantastische vermogens geen recht doen aan de levenswijze van de historische Malva en van mensen met een soortgelijke aandoening. Echter, zoals de gevleugelde woorden van Jeroen Brouwers luiden, moet kunst veelal een leugen zijn om de werkelijkheid te kunnen openbaren. Dankzij die magisch-realistische kunstgrepen is Peeters erin geslaagd de ongemakkelijke stilte rond een weggemoffeld bestaan krachtdadig te verbreken. In het reeds aangehaalde interview met NRC merkt de auteur daarom ook terecht op: “Malva is verzwegen en nu neemt ze zelf het woord. Ze kon niets en wist niets, maar nu kan en weet ze alles. Dat is eigenlijk de ultieme genoegdoening voor wie er niet mocht zijn. Toch?”

 

Middels haar roman heeft Peeters feitelijk een oude belofte van Neruda’s vriend Federico García Lorca ingelost. Staande aan Malva’s Madrileense wieg had Lorca namelijk in een teder gedicht beloofd haar mond, liefdevol, met het leven opwekkende zout aan te raken, opdat ze ooit recht van spreken zou krijgen:
 

“Klein meisje van Madrid, Malva Marina,
bloemen of schelpen wil ik je niet geven;
een takje zout en liefde, hemels licht,
leg ik denkend aan jou op je mond.” (vert. Bart Vonck)

 

De schoonheid van het ‘onvolmaakte’

 

Geïnspireerd door Malva’s geslaagde redding uit de vergetelheid zouden ook heel wat historici en critici aan het werk moeten tijgen. Talloze vergelijkbare verhalen wachten nog op hun verteller, nadat de rol van mensen met een beperking binnen onze cultuur eeuwenlang onbesproken is gebleven. Anders dan de normaliserende kijk op het verleden ons wil doen geloven, kwamen ziekten en handicaps niet slechts in de marges van de samenleving voor, ver van de intellectuele en artistieke centra. Integendeel, alleen al in het domein van de kunsten dragen vele scheppingen de sociale, poëticale en formele sporen van fysieke of mentale beperkingen.

 

Met de sociale sporen doel ik op het feit dat bepaalde creatieve beroepen relatief toegankelijk kunnen zijn voor wie bijvoorbeeld een zintuig ontbeert. De stamvader van de letteren Homèros mag dan hoogstwaarschijnlijk zelf aan de mythologie zijn ontsproten, op andere plaatsen en tijden hebben er wel degelijk blinde barden rondgezworven. In het vroegmoderne Ierland en Schotland bijvoorbeeld was het bespelen van de harp doorgaans voorbehouden aan mannen en vrouwen die op jonge leeftijd het gezichtsvermogen hadden verloren, als gevolg van de toentertijd nog veel voorkomende pokken, mazelen of roodvonk. Het ging hier om een prestigieus vak, daar de harp als een verfijnd en moeilijk instrument gold dat feestelijkheden en banketten tot in de hoogste kringen toe mocht opluisteren. Uit de overlevering aangaande de jaarlijkse bijeenkomsten van professionele harpisten in Belfast weten we dus dat de meerderheid blind was. De vermaardste onder hen was ongetwijfeld Turlough O’Carolan (1670-1738), van wie de ballades nog altijd worden uitgevoerd. 

 

Tevens moeten we ons de vraag stellen in hoeverre de confrontatie met de een of andere beperking de poëticale visie van een kunstenaar heeft beïnvloed. Zo hebben velen van de allergrootsten in de loop van hun leven met een toenemende doofheid te kampen gekregen; dit geldt zoals genoegzaam bekend voor componisten als Beethoven en Smetana, maar evenzeer voor de dichters Pierre de Ronsard en J.H. Leopold. Heeft deze ingrijpende ervaring, waardoor hun beleving van muzikaliteit sterk verinnerlijkt werd, ook hun respectieve scheppingsproces of kunstopvatting veranderd? In voornoemde gevallen blijf ik het antwoord vooralsnog schuldig. Maar, zoals ik in een eerdere lezing ‘The recumbent speaks’ heb uiteengezet, is bijvoorbeeld het essay ‘On being ill’ waarin Virginia Woolf pleitte voor een literatuur die het onderwerp ziekte niet langer angstvallig zou mijden, onmogelijk los te zien van haar eigen precaire gezondheid. Soms evenwel vormt niet de autobiografie van de kunstenaar maar iemand uit de naaste omgeving de inspiratiebron. Een lichtend voorbeeld, naast afwezige vaders als Neruda en Miller, is de Japanse Nobelprijswinnaar Kenzaburo Oë die in zijn memoires A healing family herhaaldelijk verklaart dat hij zijn begrip van humanisme en verbeelding te danken heeft aan zijn meervoudig gehandicapte zoon Hikari. Met genegenheid beschrijft Oë de dagelijkse rituelen die Hikari’s verzorging meebrengt, maar ook diens opbloeiende talenten als componist. Zoals Oë zelf erkent werd zijn schrijverschap bijgevolg voortdurend gevoed door deze bijzondere band met zijn zoon:

 

“I must acknowledge the fact that the central theme of my work, throughout much of my career, has been the way my family has managed to live with this handicapped child. Indeed, I would have to admit that the very ideas that I hold about this society and the world at large - my thoughts, even, about whatever there might be that transcends our limited reality - are based on and learned through living with him... Essentially, in writing a novel about a handicapped child one is building a model of what it means to be handicapped, making it as complete and comprehensive as possible yet also concrete and personal. Nor is the model confined to the handicapped person alone, but something that encompasses the world around him, and by extension, the world we live in.”

 

Ten slotte is de hele kunst- en literatuurgeschiedenis aan een verregaande revisie toe, als we tenminste in kaart willen brengen welke concrete artistieke vormen het ‘onvolmaakte’ lichaam in de loop der tijden heeft aangenomen. Vervult de beperking niet meer dan een (negatief) symbolische of narratieve functie, zoals vaak in sprookjes gebeurt? Denken we maar aan Kapitein Haak, de slechterik uit Peter Pan, wiens hand door een krokodil is opgegeten of aan het manke tinnen soldaatje dat enkel en alleen een been mist om hem als protagonist te kunnen onderscheiden van zijn 24 identieke broertjes. Of krijgt het personage met een beperking meer psychologische diepgang en actief handelend vermogen toegedacht? Als we even binnen ons taalgebied blijven, geldt dit voor de (gefictionaliseerde) autobiografieën van de eerder genoemde Vincent Bijlo of voor de scherpzinnige essays van Karin Spaink, waarin de schrijfster – vaak met de nodige kwinkslagen - haar strijd tegen MS en de medische mallemolen becommentarieert. Qua romans verwees ik eerder naar Joe Speedboot, maar in dit verband vermeld ik ook graag nog even Suikerspin van Erik Vlaminck. Op vergelijkbare wijze als Peeters voor Malva heeft gedaan, heeft Vlaminck zich namelijk grondig gedocumenteerd betreffende de schrijnende mishandeling van een ongescheiden Siamese tweeling die rond 1900 op Belgische kermissen werd tentoongesteld. Onder meer door middel van haar teruggevonden brieven verleent Vlamincks roman deze (dubbele) vrouw postuum alsnog de menselijke waardigheid die de bikkelharde amusementsindustrie haar nooit heeft gegund.

 

Waarschijnlijk, echter, gaat het allemaal nog veel verder dan deze individuele oeuvres, en opereert het besef van onze ‘onvolmaakte’, vergankelijke lijfelijkheid op een veel intrinsieker niveau binnen bepaalde genres en stijlperiodes. De Franse moraalfilosoof Vladimir Jankélévitch zei het eens heel kernachtig: “Het is doordat hij kan sterven dat de mens kan denken, lijden, liefhebben en boven alles scheppen.” Met deze gedachte in het achterhoofd kunnen we ons afvragen of de laatmiddeleeuwse traditie van de danse macabre geen getuigenis was van de vele epidemieën en oorlogen die Europa destijds teisterden. Of ook: in hoeverre was omstreeks 1880 de symbolistische zoektocht naar een boventijdelijk samenspel van alle zintuigen de artistieke keerzijde van de zogenaamde ‘neurasthenie’ (tegenwoordig zouden we zeggen ‘burn-out’) van de nieuwe, overprikkelde stedeling? En wierpen de gefragmenteerde, vervloeiende figuren van het kubisme en het expressionisme geen vervreemdend licht op een wetenschap en een economie die het menselijk lichaam als een demonteerbaar en in essentie zielloos apparaat benaderden? Het zijn alle fascinerende correlaties tussen lijf en vorm die meer studie van experten verdienen.  

 

 

Ode aan de puntkomma

 

Laten we tot slot nog één maal terugkeren naar Malva. Met haar romandebuut heeft Hagar Peeters zonder meer een belangwekkend boek geschreven, waarvoor ze ook met recht de Fintro Literatuurprijs heeft ontvangen. Vóór alles is Malva een bewonderenswaardige poging tot historische rechtvaardigheid, doordat de roman niet alleen een moedwillig vergeten en verstoten kind herdenkt maar het bovendien weer dartel en speels tot leven wekt. Met haar schrandere kijk op onze ondermaanse obsessie met perfectie doordringt Malva ons van het inzicht dat lichamelijke en geestelijke beperkingen geen uit te roeien kwaad vormen, als wel integendeel onze meest wezenlijke bron van creativiteit uitmaken. Het gaat erom die beperkingen als integraal en betekenisvol onderdeel van het menselijk bestaan te accepteren, en ze niet als een verfoeilijke ‘abnormaliteit’ uit te willen bannen. Malva verbeeldt deze acceptatie heel treffend wanneer ze de puntkomma, waarvoor haar vader haar ooit uitschold, tot haar favoriete leesteken uitroept en dit de hoeksteen wordt van haar heerlijk meanderende zinnen. Waar de kunst deze aanvaarding van beperkingen soms heel openlijk inlijft, zijn onze moderne samenleving, haar instituties en dominante opvattingen echter nog lang niet zo ver. Malva is daarom tevens een ongemakkelijk boek; het confronteert ons met de uitsluiting van mensen met een handicap die ook vandaag nog bestaat, omdat ze ons ‘normaal’ en natuurlijk voorkomt. Zelfs een groot humanist als Neruda liet zich door deze enge, sociale conventies verblinden, en begreep niet dat zijn dochtertje geen ‘gedrocht’ was maar zijn mooiste gedicht. Of zoals Malva het in stilte uitschreeuwt tegen haar onverstoorbare schrijvende vader: 

 

“"Waarom kon ik niet worden herzien?" vraag ik hem. "Net zo lang tot ik aan je verwachtingen voldeed, tot je tevreden bromde: 'Klaar!' Waarom kon dat niet in mijn geval? Waarom is het vlees star als steen, wil de materie niet verbogen worden, stroomt de huid niet als water, zijn de botten niet van lucht? Waarom niet, vader? Kijk eens naar me; ze zijn het toch, mijn botten zijn van lucht. Mijn huid hier stroomt als onzichtbaar water langs je heen en ik ruis evenzeer als je adem maar jij merkt het niet."”

 

Foto van Malva Marina, copyright Fred Julsing (F Julsing © 2004)

Malva: over Neruda’s vergeten dochter of de schoonheid van het ‘onvolmaakte’

Andere onderwerpen in de categorie Lezingen:

Le toucher de la lumière: la vue intérieure de Lusseyran entre phénoménologie et mystique

03 juli 2016
(Intervention lors du colloque 'Jacques Lusseyran (1924-1971) entre cécité et lumière. Regards croisés' tenu à la Fondation Singer-Polignac, Paris)
LEES MEER

The recumbent speaks: the disabled subject and literary creation (1900-1950)

28 oktober 2015
(Lecture VIII in the History of Disability Lecture Series, KU Leuven)   In a 1926 essay, Virginia Woolf argued that the ‘recumbent’ ill body should no longer be neglected in literature.
LEES MEER

Zwart-witverhalen: het schaakspel in de literatuur

08 juli 2014
(Lezing ter gelegenheid van het NK Schaken 2014, Amsterdam) Zoals u in de introductie heeft gehoord, wil ik in het volgende half uurtje proberen mijn twee grote liefdes bij elkaar te brengen: het schaken en de literatuur.
LEES MEER

Lijfelijk denken: het surrealisme en de mimetische metamorfose

10 april 2014
(Lezing in de Veenfabriek, Leiden) Het Franse surrealisme is, gek genoeg, vooral bekend geworden dankzij een Spaanse schilder: Salvador Dalí. U kent Dalí's dromerige creaties vol erotische en gewelddadige symboliek ongetwijfeld,
LEES MEER