Montréal: een stad die je omarmt

maandag 30 november 2015

Niets is zo grillig en plastisch als de tijd. Zodra je het gezapige ritme van je vertrouwde leventje achter je laat om naar een ver en onbekend oord te vertrekken, ballen je vele nieuwe indrukken zich eensklaps samen en word je in dolle vaart meegesleurd. De schildpad waarop je dacht te zitten, is onverhoeds in een haas veranderd. Eer ik het goed en wel besefte, was ik dan ook al ruim veertien dagen in Montreal en kon ik toen pas de rust vinden om enkele eerste impressies te noteren.

 

Aankomst in hemdsmouwen en “de beste koffie ter wereld”

 

De meeste ervaringen van de voorbije weken doen de balans sterk naar de positieve kant overslaan, maar de eigenlijke start was minder prettig. Personen met een beperking die in hun eentje een vliegreis maken, kunnen bij de luchtvaartmaatschappij assistentie aanvragen; dan loopt er iemand vanaf de incheckbalie met je mee naar de gate en komt een andere medewerker je bij aankomst van boord halen. Dat is altijd prima geregeld, alleen duurt het doorgaans wel even eer er, na de landing, iemand van het grondpersoneel komt opdagen. Dat was ook in Montreal het geval, zodat ik als laatste passagier het toestel verliet, op zich geen punt natuurlijk. Maar toen ik mijn jas wilde pakken die de steward in een bagagevak boven mijn hoofd had gelegd, was die verdwenen. Wel lag er een andere jas die iets weg had van de mijne, maar ik wist meteen dat dit de verkeerde was en bovendien van een beduidend mindere kwaliteit.

Heeft een ander zich per ongeluk vergist? Wellicht, hij heeft echter geen enkele poging ondernomen om zijn vergissing recht te zetten. Ook de bemanning reageerde behoorlijk apathisch; waarschijnlijk maken ze dit vaker mee, en vonden ze het overdreven om de overige inzittenden bij de douane tegen te houden. Eer ik, na alle formaliteiten in verband met de verstrekking van mijn Canadese werkvergunning, een klacht kon indienen bij de dienst voor verloren bagage, was er al veel te veel tijd verstreken om de jassendief alsnog in zijn – pardon, mijn - kraag te vatten. Zoals te verwachten viel, heeft mijn klacht niets opgeleverd. Gelukkig bleek het in Montreal allerminst koud te zijn en stond er een stralende Indian summer-zon aan de hemel, toen ik in hemdsmouwen de luchthaven uitkwam.

Die jassenhistorie wil ik verder geen schaduw laten werpen op een paar bijzondere ontmoetingen die die eerste dagen warm hebben gekleurd. In datzelfde vliegtuig kwam ik, bijvoorbeeld, naast een zeer aardige dame uit Burundi te zitten, die zich met haar NGO inzet voor meer gelijkwaardige genderverhoudingen in Centraal-Afrika. Haar Franse uitspraak klonk me, verrassend genoeg, vrij vertrouwd in de oren, veel herkenbaarder dan het nasale Québecois dat ik om me heen hoorde. “Wat dacht u dan?” vroeg ze vrolijk, “Wij hebben het Frans van de Belgen overgenomen! Wij hebben het bijvoorbeeld ook nog steeds over ‘septante’ en niet over ‘soixante-dix’ zoals de Fransen.” Met veel geestdrift vertelde ze over de grote rijkdom aan talen en culturen in haar regio, maar ze toonde zich een al even realistisch analist van de explosieve, politieke situatie na de recente gewelddadige verkiezingen in Burundi. Van de eigen intellectuele elite, veelal met Europese of Noord-Amerikaanse diploma’s op zak, verwachtte ze alvast geen soelaas: “Zij hebben geen werkelijke macht. Die is al decennialang in handen van de partijen die geld en wapens hebben. Toch zullen we het zelf moeten oplossen. Ook na de dekolonisatie zijn we ons nog te lang afhankelijk blijven opstellen van de Europese moederlanden.”

Ondanks haar ongerustheid sprak uit haar woorden ook trots, een sterk cultureel zelfbewustzijn. Ze liet haar wereldbeeld daarbij evenwel niet inperken door ficties als nationale grenzen of biologische verwantschappen: “Globalisering en migratie zijn van alle tijden.” Deze vrouw had veel gereisd, in Vancouver gestudeerd, sprak vier of vijf talen, bezat naast haar Burundees ook een Canadees paspoort. Bovenal was ze ook erg hartelijk en de eerste om me hulp aan te bieden. Ten afscheid, na onze urenlange gesprek op duizenden kilometer boven de oceaan, gaf ze me een pakje Burundese koffie: “Vous le verrez, c‘est le meilleur café du monde!”    

Tussen autonomie en afhankelijkheid: de verkenning van een stad

 

Voor wie onderweg is - of bezig is ergens aan te komen – verstrijkt de tijd niet alleen sneller, je beleeft ieder moment ook intenser. De talloze nieuwe mensen, de vreemde namen en accenten, het willen begrijpen van de plaatselijke regels en gebruiken, alle samen zorgen ze ervoor dat je aandacht geen ogenblik verslapt. Het zal zonder twijfel voor iedere reiziger gelden, maar het reizen met een visuele beperking maakt die alertheid nog eens extra noodzakelijk. Onze westerse beeldcultuur geeft er nu eenmaal de voorkeur aan om nieuwkomers hoofdzakelijk door middel van visuele hulpmiddelen de weg te wijzen: plattegronden, informatieborden, pijltjes, kleurcodes enzovoort, stuk voor stuk bruikbare bakens voor de goedziende doler. Waar dient de blinde zwerver dan op voort te gaan, als hij of zij niet knarsetandend thuis wil blijven zitten?

Ervaringen uit het verleden hebben me twee zeer effectieve methoden geleerd: ten eerste, je voor vertrek grondig voorbereiden en, ten tweede, contacten leggen met lokale mensen die je gedurende de eerste dagen en weken van je eigenlijke verblijf op weg kunnen helpen. Die voorbereiding kan tegenwoordig eenvoudig via het Internet, waar je bijvoorbeeld informatie kunt opzoeken over het openbaar vervoersnet in de stad waar je heengaat, of via een app als BlindSquare, een navigatietoepassing die geen kaarten gebruikt en slechtziende gebruikers toch toestaat bij voorbaat op hun bestemming ‘rond te kijken’. Zo kwam ik er al in België achter dat mijn toekomstige woonadres in Montreal dicht bij het centrale treinstation ligt en welke metrolijnen mij in nauwelijks een kwartier van huis naar Concordia University, mijn werkplek, zouden brengen. Veel spannender, want minder voorspelbaar, zijn de verkenningen van de stad in het gezelschap van menselijke gidsen. Dit hoeven geenszins professionals te zijn; toen ik een tiental jaar geleden als uitwisselingsstudent in de Spaanse kustplaats Alicante en in 2009 als promovendus in Groningen arriveerde, heb ik gewoon een beroep gedaan op enkele medestudenten. Zowat iedere opmerkzame persoon kan samen met een blinde een route uitstippelen, als de begeleider in kwestie maar weet welke niet-visuele oriëntatiepunten van nut kunnen zijn, zoals het tellen van de afslagen – “Bij de derde zijstraat moet je naar rechts.” – of het volgen van bepaalde ‘gidslijnen – “Als je deze heg tot het einde toe volgt, kom je automatisch bij de ingang.” Hier in Montreal is het niet anders gegaan. Via het Concordia Office for Students with Disabilities – een dienst die je op alle Amerikaanse en Canadese universiteiten aantreft, en gelukkig ook steeds vaker in Europa - werd ik voorgesteld aan Djenaba, een meisje dat ondanks haar Jamaicaanse afkomst hier is opgegroeid en de stad dus door en door kent. Met Djenaba’s hulp raakte ik spoedig vertrouwd met mijn directe woon- en werkomgeving, de metrostations waar ik geregeld kom, enkele handige winkels en eetgelegenheden.

Toch blijft reizen een oefening in afhankelijkheid. Onze typisch moderne, diepgekoesterde wensdroom een autonoom individu te zijn vervliegt meteen, zodra de ruimte om ons heen een doolhof schijnt, elk richtingsgevoel verdwenen is, alles nieuw oogt en klinkt, en niets nog enig gevoel van herkenning teweegbrengt. De eerste achtenveertig uur vond ik het ook best lastig om voor het minste of geringste iemands assistentie in te roepen, maar de grote toeschietelijkheid van de Canadezen verdreef mijn ergste schroom algauw. Zowel in het tot studentenresidentie omgebouwde hotel waar ik een kamer heb gehuurd, als wanneer ik onderweg ben in de stad, betoont iedereen zich uiterst hoffelijk. “Voulez-vous que je vous aide à traverser la rue, Monsieur?” Toevallige passanten lopen een eindje met me mee als ik naar de weg vraag. Een zachte hand op mijn elleboog dirigeert me naar de lift. Een vriendelijke stem informeert naar welke verdieping ik in het torenhoge universiteitsgebouw moet. En geleidelijk, stap voor stap, dag na dag, breidt mijn actieradius zich uit, wijkt de aanvankelijke chaos voor een toenemend aantal ijkpunten, wordt het labyrint opnieuw een georganiseerde wereld. In de lange tunnel naar het metrostation voeg ik me, met mijn stok in de hand en mijn tas over de schouder, in de gedisciplineerde stoet van ochtendlijke pendelaars.
Zo loop ik voorbij de jonge gitarist die hier gisteren ook al zat te spelen, en vandaag geen onaardige John Denver-imitatie ten beste geeft: “I’m leaving on a jetplane / Don’t know when I’ll be back again.” Ergens vanbinnen welt ineens weer die illusoire sensatie van ongebondenheid op, heel kortstondig maar.

 

De macht(eloosheid) van cultuur

 

Het is vrijdagavond, 13 november. In een ruime, lichte flat ergens in West-Montreal zit een kleurrijk gezelschap aan een lange, door schragen gestutte tafel te genieten van een verfijnde maaltijd, die de Duitse gastvrouw heeft bereid. Het rijtje schoenen bij de voordeur en de kousenvoeten onder tafel maken het huiselijke plaatje compleet, hoewel de meesten onder ons enkele dagen voordien nog geen flauw benul hadden van elkaars bestaan. Dit ontspannen samenzijn vormt de afsluiting van een workshop waarin kunstenaars en antropologen zich samen verdiepen in de zintuiglijke cultuur van de oorspronkelijke inwoners van Australië. Het Centre for Sensory Studies, waaraan ik sinds kort verbonden ben, coördineert deze workshop, en bij wijze van kennismaking met het grote scala aan onderzoeksactiviteiten van het Centre heeft men mij uitgenodigd ook deel te nemen. Zo kwam ik erachter dat de mensen die wij in Europa denigrerend ‘the aboriginals’ noemen, in werkelijkheid tot een grote verscheidenheid aan volkeren behoren, alle met hun eigen wereldbeschouwing en rituelen. Een filmmaakster uit Canberra beschrijft me de eeuwenoude lichamelijke band van haar volk met zijn grondgebied, een band die ver afstaat van onze utilitaire notie van bezit en veeleer een wederzijdse relatie is tussen de mens en de aarde. Deze relatie wordt zeer direct ervaren, niet alleen bij het begraven van de doden, maar ook wanneer bij rituele dans en muziek afgescheiden lichaamssappen als zweet de ingewijden herinneren aan de levensgevende kracht van water. Het doel van deze workshop is een tentoonstelling of performance te ontwikkelen die deze inheemse manier van waarnemen zoveel mogelijk invoelbaar kan maken voor buitenstaanders. Voor de betrokken kunstenaars en wetenschappers is dit echter geen evidente taak, daar het grootste deel van de hiertoe benodigde inheemse kennis nooit op schrift werd gesteld en bovendien zwaar te lijden heeft gehad onder de Europese kolonisatie.

Niemand van de aanwezigen bij dit gezellige en leerzame avondmaal heeft weet van de afgrijselijke taferelen die zich kort tevoren in Parijs hebben afgespeeld. Ik verneem het nieuws van de aanslagen pas, wanneer ik rond middernacht thuiskom en toevallig nog even het journaal aanzet. De eerste uren voel ik me, zoals bijna iedereen waarschijnlijk, volslagen machteloos. Wat vermogen kunst, creativiteit of reflectie in vredesnaam tegen bruut geweld als dit? Op de Canadese televisie komt de daaropvolgende dagen België, en in het bijzonder Molenbeek, regelmatig ter sprake als een broeinest van radicalisering. Gelukkig laten onze meest vooraanstaande denkers zich niet zo gauw verleiden tot het wij-zij-denken, zoals onder meer blijkt uit de kritische open brief waarin David Van Reybrouck zeer terecht op onze eigen verantwoordelijkheid jegens het verscheurde Midden-Oosten wijst. Zoals Van Reybrouck constateert, is de opkomst van de moorddadige IS-ideologie het rechtstreekse gevolg van de westerse invasie in Irak. Als we thans opnieuw menen dat we die ‘vijand’ op een veilige afstand kunnen houden en louter met militaire middelen zullen verdelgen, moeten we er dringend de oud-Griekse mythe van de Hydra nog eens op naslaan: voor iedere kop die dit zeemonster werd afgehakt, kreeg het er twee nieuwe in de plaats.

Nee, ook ik heb geen pasklaar antwoord voor een dergelijke wereldwijde crisis; wie heeft dit wel? Maar ons verschansen in angst en wraakgevoelens zal, hoe dan ook, nimmer een uitweg bieden. Vooralsnog is er slechts het verdriet om de slachtoffers in Ankara, Parijs, Beyrouth, Bamako, en de ontelbare verwoeste steden en dorpen in Syrië. En een sprankje hoop dat we de niet-westerse ‘ander’ niet telkens weer naar ons blanke, rationalistische ideaalbeeld zullen willen omvormen, hem of haar niet telkens onze culturele waarden en politieke stelsels zullen opdringen. Zoals mijn Australische tafelgenoten mij op die bewuste vrijdagavond eens temeer duidelijk hebben gemaakt, kan een onder dwang opgelegde cultuur op de lange termijn vernietigender zijn voor de identiteit van een volk dan het wreedste wapentuig. Tegelijk is cultuur, echter, het enige collectieve domein waar – in een onafzienbare toekomst - lichamelijke en levensbeschouwelijke diversiteit mogelijk vorm kan krijgen.

Andere onderwerpen in de categorie Reisjournaal:

Montréal: een stad waar je met koffers vol verhalen weer vertrekt

12 november 2016
“Caminante, son tus huellas / el camino y nada más” [Wandelaar, je sporen zijn / de weg, en zij alleen], dit beroemde vers van de grote Spaanse modernist Antonio Machado kan als motto dienen voor elke reiziger.
LEES MEER

Parijs-New York-Québec: dromen van een utopisch Amerika

10 september 2016
Afgelopen zomer heb ik, voor werk en plezier, veel mogen reizen. Het bracht me terug in Parijs, voor het eerst in New York maar ook in afgelegen hoekjes van het onmetelijke Québec.
LEES MEER

Montréal: brief aan Leonard Cohen

22 april 2016
Dear Leonard (if I may), Het is midden april, vier uur ‘s middags. Nog steeds is het koud in Montréal – te koud voor de tijd van het jaar -, en ineens voel ik de onbedwingbare aanvechting u te schrijven.
LEES MEER

Montréal-Leiden: waar kunst in eieren en gebaren spreekt

31 maart 2016
Dit reisjournaal is wat langer onbeschreven gebleven dan de bedoeling was, doordat ik in februari verscheidene weken uit de running ben geweest.
LEES MEER

Montréal: de stad waar iedereen welkom is (of toch niet?)

03 februari 2016
Zoals ik aan het begin van deze Canada-reeks heb verteld, richt mijn huidig onderzoek zich op de rol van zintuiglijke beperkingen in kunst en literatuur. Omdat dit onderwerp mij volledig in beslag neemt, zult u er hier nog vaak over lezen.
LEES MEER

Montréal: waar je tijd en muziek kunt ruiken

30 december 2015
  “Canada is een van de weinige landen waar praten over het weer geen loos gebabbel is”, had iemand mij, kort na mijn aankomst in Montréal, gezegd. Nu begrijp ik wat dit meisje precies bedoelde.
LEES MEER

Montréal: een wetenschappelijk en persoonlijk avontuur

24 oktober 2015
Over twee weken stap ik in het vliegtuig om een jaar lang onderzoek te gaan doen aan Concordia University in Montréal. Wie er tegenwoordig voor kiest in de wetenschap verder te gaan, kiest voor een fascinerend maar onbestemd bestaan.
LEES MEER

Schrijven voor het vaderland: op zoek naar José Martí

10 juli 2010
(Reisreportage over Cuba verschenen in Streven, 77.7 2010, pp. 610-621) Onderweg van Trinidad naar de oostelijke stad Santiago, het eindpunt van onze rondreis op Cuba, doen we het plaatsje Sancti Spiritus aan. Nu ik deze drie toponiemen neergeschreven op een rijtje zie valt het me des te sterker op hoeveel christelijke mythologie ze meetors…
LEES MEER