Montréal: een wetenschappelijk en persoonlijk avontuur

zaterdag 24 oktober 2015

Over twee weken stap ik in het vliegtuig om een jaar lang onderzoek te gaan doen aan Concordia University in Montréal. Wie er tegenwoordig voor kiest in de wetenschap verder te gaan, kiest voor een fascinerend maar onbestemd bestaan. Toen ik in juni 2009 op sollicitatiegesprek in Groningen werd uitgenodigd - om te bepalen of ik al dan niet kon worden toegelaten tot een promotietraject –, was ik nog nooit in die noordelijke uithoek geweest, hoewel ik al geruime tijd in Nederland woonde. Onderweg van het station naar de letterenfaculteit in de binnenstad waar het gesprek zou plaatsvinden, werd ik algauw ingepalmd door de gemoedelijke sfeer in het nagenoeg autoluwe centrum. Groningen beviel me gelijk en gelukkig maar, want ik zou er uiteindelijk bijna zes jaar blijven. Nu is dan het moment gekomen om de Oceaan over te steken, naar een land dat geheel nieuw voor mij is, waar ik met vooraanstaande specialisten binnen mijn onderzoeksdomein van de zintuiglijke cultuur mag samenwerken. Gewoon een logische vervolgstap? Ik vind het bovenal een zeer groot voorrecht!

Het ‘zwarte gat’ na het doctoraat

Wellicht komt het gevoel geprivilegieerd te zijn vooral door de lange periode van onzekerheid die aan deze aanstelling als postdoctoraal onderzoeker voorafging. Met het afronden van mijn proefschrift Talend lichaam eind 2013 dacht ik, zoals zoveel jonge academici waarschijnlijk, de eerste ontzagwekkende klip te hebben genomen en dat er, hier eenmaal voorbij, tal van nieuwe bestemmingen zouden opdoemen. De realiteit was bepaald ontnuchterend: opnieuw kwam ik, net als vier jaar eerder voor het promotietraject, in een harde selectierace terecht.

In België en Nederland behalen jaarlijks enkele duizenden mensen de doctorstitel, maar nog geen tiende van hen gaat vervolgens ook verder in de wetenschap. Deels komt dit natuurlijk door vrije keuze, omdat sommigen het analyseren en argumenteren spuugzat zijn. Deels echter ook doordat velen die wel door willen gaan, na de zoveelste afwijzing de strijd om de luttele postdoc-plaatsen moeten staken en een andere baan aanvaarden. Die laatste groep ontbreekt het lang niet altijd aan talent of doorzettingsvermogen. Zulke individuele factoren spelen wel mee, maar het aanzienlijk verlagen van de onderzoeksbudgetten door nationale overheden en de universiteiten zelf is minstens zo belangrijk. Als gevolg daarvan moeten te veel mensen in hetzelfde kleine subsidievijvertje vissen. Met name in Nederland was er het voorbije decennium eenvoudigweg veel minder geld beschikbaar voor onderzoek dat niet snel te implementeren viel in sociaaleconomische, technologische of medische toepassingen. Zodoende kregen onder meer classici, archeologen of musicologen het bij voorbaat als een stuk moeilijker om de nodige financiering voor hun project te vinden. Ik beweer hier overigens niets nieuws: de wanverhouding tussen de relatieve overvloed aan promotieplaatsen en het uiterst beperkte aanbod aan vervolgmogelijkheden binnen de academie is al herhaaldelijk onder de aandacht gebracht in de media. Vooralsnog gebeurt er evenwel weinig om deze scheve situatie enigszins te corrigeren.

Ik wil, hoe dan ook, niet verhullen dat ook ik een hele poos in dat zwarte gat heb getuurd en, na verschillende mislukte pogingen, eveneens vreesde bij het doctoraat te zullen stranden. Het is immers niet alleen zaak om een inhoudelijk sterk onderzoeksvoorstel op tafel te leggen, je moet het bovendien dusdanig weten te verpakken dat een selectiecommissie het jouwe uit de hoge stapel plukt en vervolgens ook nog bereid is het te bekostigen. Tot mijn grote vreugde en opluchting vond ik die bereidheid ten slotte bij het comité van het Niels Stensen Fellowship dat pas gepromoveerden in staat stelt de nodige buitenlandervaring op te doen. Wat hier wellicht in mijn voordeel heeft gewerkt is het feit dat het Niels Stensen-comité – anders dan de meeste andere commissies - minder sterk de nadruk legt op het aantal publicaties van de kandidaten in internationale vakbladen, en des temeer op hun maatschappelijke betrokkenheid. In deze procedure wordt er voornamelijk afgewogen of een onderzoeker wel genoeg inspanningen levert om zijn of haar bevindingen met een algemeen publiek te delen, door middel van lezingen bijvoorbeeld of deelname aan openbare debatten. Kennisdeling en sociale verantwoordelijkheid staan hier dus nog bovenaan, en dat is een hele verademing in een tijd waarin publicatiequota en implementatie veelal de hoogste prioriteit krijgen.

Onderzoek: “Geboren om mijn verwonding te belichamen”

Ondanks het institutionele hindernissenparcours waar men doorheen moet, blijft het onderzoeksvuur onverminderd branden. De vermaarde moleculair-biologe Christine Van Broeckhoven sprak ooit in een interview over de ‘drang om te weten’ die haar telkens weer voortjaagt. Als geesteswetenschapper zou ik zelf meer van een ‘drang om te begrijpen’ spreken, maar het komt op hetzelfde neer. Een onderzoeker wil doorgronden hoe de wereld in elkaar zit, de complexiteit van bepaalde natuurlijke of culturele fenomenen ontrafelen en beschrijven. De vragen verdringen elkaar om voorrang, maar het formuleren van antwoorden vergt veel tijd en minutieuze studie. Natuurlijk zou niemand dit blijven doen, mocht het onderzoeksproces zelf – de weg van het langzaam voortschrijdend inzicht – bijwijlen geen grote voldoening schenken. Zo houd ik mij in wezen bezig met de vraag hoe mensen door de geschiedenis heen hun zintuiglijke waarnemingen hebben geïnterpreteerd en vormgegeven in literatuur, maar het is ook voor mij vaak nog een verrassende ontdekkingstocht om – met deze centrale vraag in het achterhoofd – in het werk van specifieke auteurs te duiken.

Het komende jaar wil ik me in het bijzonder gaan verdiepen in de teksten van vroegtwintigste-eeuwse schrijvers met een zintuiglijke beperking. Het opvallende is dat deze schrijvers hun zogenaamde ‘beperking’ niet zozeer opvatten als een tekort of een gebrek, maar als een alternatieve manier van waarnemen. In mijn TEDx talk heb ik er vorig jaar op gewezen dat (doof)blindheid tot een creatieve reorganisatie van het gehele waarnemingsapparaat kan leiden. De voorlopige werktitel van mijn onderzoek, “Geboren om mijn verwonding te belichamen”, is ontleend aan de Franse dichter en WO I-veteraan Joe Bousquet (1897-1950). Bousquet raakte verlamd aan de onderste ledematen, nadat hij op 27 mei 1918 op het slagveld door een Duitse kogel was geveld. Bousquet weigerde deze gebeurtenis te zien als een stom, zinloos toeval. Voor hem betekende het een lotsbestemming, een tweede ‘geboorte’ in een nieuwe lichamelijke toestand en het begin van zijn schrijverschap. De rest van zijn leven zou hij, vanuit het ongebruikelijke perspectief van een gedeeltelijk verlamd lichaam, bouwen aan een intrigerend literair oeuvre.

Het bestuderen van een auteur als Bousquet is om meerdere redenen van belang. In de eerste plaats verschaft zijn werk inzicht in de subjectieve beleving van het leven met een ‘handicap’, en biedt het bijgevolg een aanzienlijk tegenwicht tegen de traditionele stereotypering van mensen met een beperking als hulpeloos en passief. Het maakt het lijden van dit lichaam invoelbaar, maar toont tegelijk ook het creatieve potentieel dat een dergelijke grensverleggende ervaring vermag te openen. Bovendien vinden we in de geschriften van Bousquet, en die van vele andere auteurs met een beperking, belangwekkende beschouwingen over een snel moderniserende samenleving. Meer dan wie dan ook zijn zij zich vaak scherp bewust van de lichamelijke effecten van nieuwe technologie of een stedelijke leefomgeving. Zo deed de doofblinde Helen Keller omstreeks 1900 al haar beklag over de voelbare geluidstrillingen waarin drukke stadscentra haar onderdompelden; systematisch onderzoek zou later in de jaren ’20 bevestigen dat dergelijke trillingen ook bij ‘normale’ waarnemers in New York stress opwekten.

Samengevat: in Canada hoop ik verschillende hoofdstukken van een volgend boek uit te werken, over vroegtwintigste-eeuwse auteurs voor wie zintuiglijke beperkingen een onuitputtelijke bron van creativiteit en kritische reflectie bleken te zijn.

Montréal als persoonlijk avontuur

Een van de allermooiste kanten van een wetenschappelijke loopbaan is dat ze je in contact brengt met boeiende en ruimdenkende mensen uit alle mogelijke windstreken. Ik heb dit in Groningen ervaren met naaste collega’s en studenten wier honger naar kennis altijd zo aanstekelijk werkte. In Canada zal dat vast niet anders zijn. Vanuit het Centre for Sensory Studies , het onderzoeksinstituut van Concordia University waar ik straks aan de slag ga, heeft men mijn onderzoeksproject steevast ten volle gesteund. Het enthousiasme waarmee de directeur van het instituut, de antropoloog David Howes, twee jaar terug op mijn eerste voorstel reageerde, heeft me sterk gestimuleerd om dit plan door te zetten. Het bestaan van een onderzoeker lijkt voor een buitenstaander wellicht vrij eenzaam; in feite is het echter net zozeer verknoopt met dat van talrijke ‘fellow travellers’, en dat is maar goed ook!

Als ik over twee weken vertrek, betekent dit niet uitsluitend een volgende etappe in mijn wetenschappelijke ontwikkeling. Zoals mijn eerdere verblijven in Polen en Spanje me hebben geleerd, brengt een lange periode in den vreemde ook veel onverwachte ontmoetingen en kansen mee. Ze herijken je persoonlijk kompas, zetten onvoorziene routes voor de toekomst uit. Hoe zal het zijn om in een land als Canada te wonen, met een gecompliceerde koloniale geschiedenis en een enorme geografische uitgestrektheid? Wie wil weten hoe dit wetenschappelijk en persoonlijk avontuur zal uitpakken, moet maar geregeld eens een kijkje komen nemen in dit reisjournaal!

Andere onderwerpen in de categorie Reisjournaal:

Montréal: een stad waar je met koffers vol verhalen weer vertrekt

12 november 2016
“Caminante, son tus huellas / el camino y nada más” [Wandelaar, je sporen zijn / de weg, en zij alleen], dit beroemde vers van de grote Spaanse modernist Antonio Machado kan als motto dienen voor elke reiziger.
LEES MEER

Parijs-New York-Québec: dromen van een utopisch Amerika

10 september 2016
Afgelopen zomer heb ik, voor werk en plezier, veel mogen reizen. Het bracht me terug in Parijs, voor het eerst in New York maar ook in afgelegen hoekjes van het onmetelijke Québec.
LEES MEER

Montréal: brief aan Leonard Cohen

22 april 2016
Dear Leonard (if I may), Het is midden april, vier uur ‘s middags. Nog steeds is het koud in Montréal – te koud voor de tijd van het jaar -, en ineens voel ik de onbedwingbare aanvechting u te schrijven.
LEES MEER

Montréal-Leiden: waar kunst in eieren en gebaren spreekt

31 maart 2016
Dit reisjournaal is wat langer onbeschreven gebleven dan de bedoeling was, doordat ik in februari verscheidene weken uit de running ben geweest.
LEES MEER

Montréal: de stad waar iedereen welkom is (of toch niet?)

03 februari 2016
Zoals ik aan het begin van deze Canada-reeks heb verteld, richt mijn huidig onderzoek zich op de rol van zintuiglijke beperkingen in kunst en literatuur. Omdat dit onderwerp mij volledig in beslag neemt, zult u er hier nog vaak over lezen.
LEES MEER

Montréal: waar je tijd en muziek kunt ruiken

30 december 2015
  “Canada is een van de weinige landen waar praten over het weer geen loos gebabbel is”, had iemand mij, kort na mijn aankomst in Montréal, gezegd. Nu begrijp ik wat dit meisje precies bedoelde.
LEES MEER

Montréal: een stad die je omarmt

30 november 2015
Niets is zo grillig en plastisch als de tijd. Zodra je het gezapige ritme van je vertrouwde leventje achter je laat om naar een ver en onbekend oord te vertrekken, ballen je vele nieuwe indrukken zich eensklaps samen en word je in dolle vaart meegesleurd.
LEES MEER

Schrijven voor het vaderland: op zoek naar José Martí

10 juli 2010
(Reisreportage over Cuba verschenen in Streven, 77.7 2010, pp. 610-621) Onderweg van Trinidad naar de oostelijke stad Santiago, het eindpunt van onze rondreis op Cuba, doen we het plaatsje Sancti Spiritus aan. Nu ik deze drie toponiemen neergeschreven op een rijtje zie valt het me des te sterker op hoeveel christelijke mythologie ze meetors…
LEES MEER