Montréal: waar je tijd en muziek kunt ruiken

woensdag 30 december 2015

“Canada is een van de weinige landen waar praten over het weer geen loos gebabbel is”, had iemand mij, kort na mijn aankomst in Montréal, gezegd. Nu begrijp ik wat dit meisje precies bedoelde. Terwijl het op kerstavond met zeventien graden nog lente leek en alle warmterecords werden verpulverd – op de sociale media circuleerde zelfs een foto waarop de Kerstman in korte broek een partijtje golf speelde -, is het kwik nauwelijks een paar dagen later naar tien graden onder nul getuimeld en ligt er plots 40 centimeter sneeuw! In zulke extreme omstandigheden kun je maar beter blij zijn dat de verwarming het doet en achter je schrijftafel plaatsnemen om je reisjournaal bij te werken. Zo zag ik, als schrijvend, deze episode onbedoeld uitgroeien tot een special over de reuk, maar niet zonder eerst een inkijkje te hebben geboden in mijn eigen onderzoeksactiviteiten bij het Centre for Sensory Studies. 

 

De werkdag van een literatuurwetenschapper

 

Anders dan veel exacte of sociale wetenschappers die voor hun onderzoek een laboratorium of testruimte nodig hebben, hoef ik in principe de deur niet uit om te werken. Zodra ik over mijn laptop beschik die heel mijn digitale bibliotheek bevat, kan ik aan de slag gaan. Niettemin heb ik altijd de voorkeur gegeven aan een duidelijke scheiding tussen woon– en werkplek, en wel om vrij evidente redenen. Niet alleen zijn de sociale contacten in een universitaire werkomgeving van onschatbare waarde, bovendien zorgt het dagelijkse traject van huis naar ‘kantoor’ voor structuur en lichaamsbeweging. Wat dit laatste punt betreft, mag ik me momenteel best gelukkig prijzen; de Montréalais zijn niet voor niets trots op hun wandelstad. Daarbij doelen ze allereerst op het zogenaamde ‘réseau piétonnier souterrain’, een zeer uitgestrekt ondergronds netwerk van metrostations, winkelgalerijen en eetgelegenheden. Bijgevolg kan wie dat wil ettelijke kilometers lopen zonder in de buitenlucht te komen, wat bij ijzige vrieskou wel zo comfortabel is. Maar in dit labyrintische gangenstelsel met zijn eindeloze passages, tussendeuren en (rol)trappen loop je ook algauw verloren, zodat de Montréalais doorgaans slechts dat gedeelte van ‘Le Réso’ gebruiken dat ze goed kennen. Zelf ga ik ook elke ochtend, ongeveer halverwege mijn route, bovengronds om het laatste kwartiertje af te leggen. Ook hier voelt de voetganger zich een welkome gast op de brede, goed onderhouden trottoirs. (Verkeerslichten zijn evenwel nergens voorzien van rateltikkers, een vervelend minpunt dat mij dus herinnert aan ons stuntelige toegankelijkheidsbeleid in België.) In schril contrast met het onderaardse doolhof is het roostervormige grondplan van de binnenstad opgebouwd uit kaarsrechte hoeken en straten. Het gevolg is dat men zich overwegend oriënteert ten opzichte van enkele grote verkeersaders die van oost naar west of van zuid naar noord lopen. Wanneer je naar de weg vraagt, krijg je zodoende aanwijzingen in de trant van: “Om X te bereiken moet u drie huizenblokken naar het westen en twee naar het zuiden.”

Op de universiteit heb ik mijn eigen werkkamer, waar ik het merendeel van mijn tijd doorbreng. Voor een literatuurwetenschapper als ik betekent onderzoek doen hoofdzakelijk het zorgvuldig lezen en analyseren van literaire teksten. Ik probeer die teksten vervolgens te duiden aan de hand van andere historische bronnen uit dezelfde periode, zoals filosofische of wetenschappelijke traktaten. Natuurlijk dien ik daarnaast kennis te nemen van wat andere onderzoekers over hetzelfde onderwerp hebben geschreven. In eerste instantie bestaat mijn taak dus in het verzamelen en verwerken van grote hoeveelheden informatie. Boeken en artikelen die voor 1990 zijn verschenen, vind ik echter lang niet altijd in een voor mij leesbare vorm. Dan moet ik ze zelf scannen, wat een tijdrovend en saai klusje is, maar gelukkig kan ik onder het scannen wel naar een eerder gedigitaliseerd boek luisteren, zodat ik geen kostbare tijd hoef te verliezen. Dit voorbereidende werk van lezen en studeren kan makkelijk enige weken, soms een paar maanden duren, alvorens ik mijn stapels losse aantekeningen kan beginnen samenvoegen tot een volwaardig hoofdstuk of artikel.

Maar wees gerust, ik sluit me niet de godganse dag in mijn werkkamer op. Ik ga geregeld lunchen met collega’s of neem deel aan de discussiegroepen en lezingen die het Centre for Sensory Studies organiseert. Hoewel niet alle bijeenkomsten van het Centre van direct nut zijn voor mijn specifieke onderzoeksproject, dragen ze vaak nieuwe ideeën aan en maken ze me attent op aspecten van de waarneming die me vooralsnog waren ontgaan. Dit was ook de reden waarom ik aanschoof bij die workshop met Australische kunstenaars waarover ik in mijn vorige verslag berichtte. Dergelijke activiteiten vloeien rechtstreeks voort uit het streven van het Centre - ingegeven door de antropologische scholing van directeur David Howes - om de manieren van waarnemen die in het Westen gangbaar zijn, niet langer als ‘normaal’ of ‘natuurlijk’ te beschouwen, maar slechts als een van de vele mogelijke alternatieven. Een concreet voorbeeld is de westerse hiërarchie der zintuigen die van oudsher wordt aangevoerd door het gezichtsvermogen en het gehoor, omdat zij op afstand opereren. Smaak, tastzin en reuk vereisen daarentegen meer lichamelijke nabijheid, en golden derhalve als ‘lagere’, grovere zintuigen. Een schromelijke misvatting, zoveel is me nogmaals duidelijk geworden tijdens het bezoek van geurhistorica Caro Verbeek aan het Centre.

 

De neus: een inleiding (voor al wie, zoals ik, dit edele orgaan systematisch miskent)

 

De reuk is nooit mijn sterkst ontwikkelde zintuig geweest. Of beter, ik ben me zelden zo scherp bewust van geuren als van gehoor- en tastsensaties, die ik doorgaans zonder moeite kan beschrijven. Geuren daarentegen laten zich niet zo eenvoudig in woorden vangen; vaak kom ik in eerste instantie niet verder dan het vrij banale oordeel of ik een geur ‘lekker’ dan wel ‘vies’ vind. Ter eigen geruststelling: naar verluidt blijft het overgrote deel van de mensen bij dit rudimentaire onderscheid tussen lekker en vieze geuren steken. “Dat komt”, zo legde de Nederlandse geurenexpert Ep Köster mij op een publieksavond over de zintuigen in de Amsterdamse Balie uit, “Omdat de reuk ons vóór alles moet behoeden voor gevaar. Door te ruiken moet je ogenblikkelijk weten of je een goedje mag vertrouwen, dan wel of je moet maken dat je wegkomt!” (Overigens, diezelfde avond deed de zeer aimabele Köster, zelf inmiddels een krasse tachtiger, mij het begeesterde relaas van zijn studietijd aan de Sorbonne, waar hij eind jaren vijftig nog had samengewerkt met Jacques Le Magnen, een blinde fysiologieprofessor die destijds internationale erkenning genoot als ‘neus’, zoals dat zo mooi in het parfumeursjargon heet.) Zo beschouwd lijkt de reuk dus vooral een effectieve, zij het uiterst basale gevarendetector te zijn.

Als we het hierbij zouden laten, deden we ons toch al zo vaak veronachtzaamde reukorgaan echter danig tekort. Het heeft nog zoveel meer functies, te beginnen bij – en dat is nog vrij bekend – onze ervaring van voedsel. Niet alleen stelt de neus ons in staat te selecteren wat eetbaar en wat niet eetbaar is, welk product vers is en welk reeds lang over datum, zij verrijkt bovendien enorm het schrale palet van de smaak. De vijf verschillende smaken die we daadwerkelijk in de mond proeven, steken nogal armetierig af tegen de tienduizenden geuren die we fysiologisch gesproken kunnen waarnemen. (Let wel, daarmee is niet gezegd dat we al die olfactorische nuances ook kunnen benoemen.) Kortom, dieetgoeroes en tv-koks hebben hun huidige sterstatus veeleer aan onze reuk dan aan onze smaakpapillen te danken!

Daarnaast fungeert de menselijke neus, zoals iedere dierlijke snuit, wel eens als navigatiemiddel. Natuurlijk denk je dan aan de heerlijke lucht van vers brood die de hongerige passant een bakkerij binnenlokt, maar het kan veel subtieler, onbewuster ook. Zelfs een totaal ongeoefende ‘ruiker’ als ik doet er soms zijn voordeel mee. Met name herinner ik me een ochtend in Groningen waarop ik een tijdelijke vervangbrug over het water moest zien te vinden, op een tiental meter naast de eigenlijke brug die afgesloten was vanwege herstelwerkzaamheden. De dagen voordien had ik die vervangbrug snel weten te lokaliseren, omdat ik de fietsers had kunnen horen die eroverheen denderden. Op die bewuste ochtend lukte dit evenwel niet, omdat de drilboren waarmee de werklui in de weer waren alles in een dichte lawaainevel hulden. Ik wist slechts welke kant ik op moest en dat ik niet zomaar op goed geluk van het smalle voetpad langs het kanaal af mocht stappen, wilde ik niet met een nat pak in de collegezaal verschijnen. Ik liep dus schoorvoetend verder, hopend op een aangeboden arm die me even naar de opgang van de brug zou loodsen, maar de hulp kwam uit een veel verrassender hoek aanwaaien. Plots snoof ik namelijk het goedkope schilderhout van de brug op en kon ik mijn eigen neus gewoon verder volgen! De reden waarom dit voorval me zo frappeerde, was dat ik de dagen voordien helemaal geen acht had geslagen op die houtlucht, maar hem kennelijk wel ergens had geregistreerd. Zodra mijn overige zintuigen het lieten afweten, had ik ineens wel de benodigde aandacht om dit geurspoor op te pikken. Het toont aan hoeveel noeste arbeid ons reukorgaan voortdurend verricht, zonder dat we ons daar veel rekenschap van geven.

 

In de ban van het geurige verleden

 

De bovenstaande voorbeschouwing had ik ongetwijfeld nooit geschreven, indien ik een aantal jaar geleden geen e-mail had ontvangen met als onderwerp: “Péret en de geur van Braziliaanse koffie”. De afzender was kunsthistorica Caro Verbeek die zich heeft toegelegd op het gebruik en de rol van geuren in de kunst. Met haar mailtje reageerde Caro destijds op een interview in Dagblad Trouw waarin ik had verteld over de zinnenprikkelende poëzie van de Franse surrealisten, met name van de levenslange rebel Benjamin Péret (1899-1959). Caro wees me erop dat, behalve in literatuur en schilderkunst, de surrealisten hun revolutionaire programma van een geheel nieuwe manier van voelen en denken ook hadden uitgedragen in enkele tegendraadse tentoonstellingen. Zij wilden immers korte metten maken met de burgerlijke, strikt visuele kunstbeleving – vandaag de dag helaas nog steeds de meest gangbare benadering in kunstmusea -, waarbij men geacht wordt zoveel mogelijk in stilte en op een gepaste afstand langs de doeken aan de muur te kuieren. Een surrealistische expositie moest daarentegen een zinderende trip naar een droomuniversum bewerkstelligen. Tijdens de Parijse tentoonstelling van 1938, bijvoorbeeld, kwamen de bezoekers eerst door een zogenaamde ‘rue surréaliste’, een lange verduisterde tunnel waar bizarre uithangborden en etalagepoppen van alle kanten naar hen lonkten, totdat ze de centrale expositiehal bereikten die was vormgegeven als een warme, vochtige grot. Hier werden ze geconfronteerd met mysterieuze objecten die ineens uit het halfdonker voor hen opdoemden, zoals een met bont bekleed kopje (van Meret Oppenheim) en een bankje op vier hooggehakte vrouwenbenen (van Kurt Seligmann). Bovendien weerklonk er hysterisch gelach uit verborgen luidsprekers en hing er dus die exotische geur van Braziliaanse koffie. Alles samen zorgde het voor een desoriënterende totaalervaring, een ware “ontregeling van alle zinnen” die de grote inspirator van het surrealisme, Arthur Rimbaud, reeds had bepleit.

In de loop van de vele gesprekken met Caro die op dit eerste mailcontact zijn gevolgd, heb ik zodoende naast de vele functies van de reuk, ook de esthetiek en de historische betekenis ervan ontdekt. Geuren dienen nodig te worden opgevat als een integraal onderdeel van onze (kunst)geschiedenis. Hoe roken de verschillende materialen (houtsoort, tempera/olieverf, enzovoort) die de Vlaamse Primitieven gebruikten bij het vervaardigen van hun wereldberoemde veelluiken? Welke olfactorische associaties riepen Vermeers huiselijke taferelen en stadsgezichten op bij diens tijdgenoten? Het zijn vragen die in musea en catalogi nooit worden gesteld, laat staan beantwoord, terwijl ze ons nochtans een accurater begrip zouden verschaffen van alle mogelijke facetten van een kunstwerk: het ambachtelijke maakproces, de historische werkelijkheid waarin het ontstond, evenals de vele betekenissen die ook geuren omgeven. Deze semantische gelaagdheid illustreerde Caro ooit treffend in een Youtube-interview , waarin ze de geurige gaven besprak die de drie wijzen de pasgeboren Jezus aanbieden: voor de middeleeuwse toeschouwer van dit tafereel stond bijvoorbeeld de zoete wierook voor de onschuld, terwijl de bittere mirre naar Christus’ toekomstige lijden verwees.

Ik ben echter lang niet de enige wie Caro’s onderzoek de neus heeft geopend (vergeef me het ietwat plastische beeld). Dit blijkt wel uit de enthousiaste reacties van de aanwezige onderzoekers wanneer ze, eind november op bezoek in Montréal, een lezing geeft in het Centre for Sensory Studies. “De grote moeilijkheid voor de historicus van de reuk”, benadrukt Caro, “is het hervinden en vasthouden van al die geuren uit het verleden. Vluchtig als ze zijn, laten ze zich niet vastleggen zoals beeld en geluid.” Woorden schieten ook hier weer tekort: zoals ik eerder al opmerkte, zijn we met onze gebrekkige olfactorische opvoeding in het Westen niet in staat onze geurgewaarwordingen adequaat te benoemen, maar ook omgekeerd geldt dat de louter verbale beschrijving van een geur voor veel mensen ontoereikend is om ze imaginair te ervaren. (Probeer maar eens of woorden als ‘mirre’, ‘jasmijn’ of ‘olieverf’ je geestesneus activeren!) Daarom besloot Caro te gaan samenwerken met een parfumeur die haar helpt historische essences zo getrouw mogelijk te reconstrueren. Gedurende haar lezing in Montréal laat ze waaiers van hand tot hand gaan, waarin bepaalde vroegtwintigste-eeuwse geuren zijn geïmpregneerd. Even wuiven en snuiven is afdoende om een sterke sensatie te ondergaan, evenwel niet om je honderd jaar terug te plaatsen in de tijd, want dat zou een illusie zijn. We hebben nog steeds gedegen contextuele informatie nodig om de geuren van weleer te ‘begrijpen’: met z’n allen ruiken we bijvoorbeeld aan Tabac Blond, een parfum dat nu vrij standaard aandoet, maar bij de lancering ervan in 1919 het eerste vrouwenparfum was dat tabak bevatte en daarom geheel bij de opkomende emancipatie paste. Ja, zo zie je maar, geuren hebben ook al politieke en sociale connotaties... Maar dat onderwerp laat ik voorlopig even rusten.

 

Muzikale parfums

 

Later die week hebben Caro en ik nog een afspraak met parfumeur Dana El Masri. We ontmoeten haar in café Tommy, dat zich in een stijlvol Victoriaans pand nabij de oude haven bevindt, op een boogscheut van de Notre Dame-kathedraal. Hoewel Tommy amper een half jaar geleden werd geopend, is het nu al de place to be voor jonge kunstenaars. Het is halfelf ’s ochtends maar alle tafeltjes, die op en rond verscheidene plateaus staan opgesteld zodat het houten interieur enig reliëf krijgt, zijn reeds bezet. “Ik zit hier zelf ook vaak urenlang te werken”, vertelt Dana, terwijl we ons op de laatste vrije barkrukken langs de wand installeren. Dana is een authentieke wereldburger: van Egyptisch-Libanese origine werd ze in Hongarije geboren en bracht ze een groot deel van haar jeugd in Dubai door; een tiental jaar terug is ze dan in Montréal neergestreken. Omdat Dana lange tijd meende dat muziek haar grootste passie was, ging ze aanvankelijk compositie studeren. Gaandeweg deze opleiding kwam ze echter tot de ontdekking dat de reuk haar meest wezenlijke instrument vormde. “Terugblikkend op mijn kindertijd besefte ik dat ik voor ieder seizoen een parfum had, dat ik ongeveer alles met een geurherinnering verbond. (…) Ik vermoed dat mijn achtergrond in het Midden-Oosten eveneens bepalend is geweest voor de richting die ik ben ingeslagen. De geur van de mango’s in mijn grootvaders tuin, de jasmijn die je ruikt als je in Egypte over straat loopt. Al de specerijen en oliën in Dubai, zwaar, weelderig.” Op dit inzicht volgde een periode van intensieve zelfstudie en een verblijf aan het vermaarde parfumeursinstituut in het Franse Grasse om het vak te leren. Eenmaal terug in Canada vestigde ze haar eigen bedrijfje onder de poëtische naam Jazmin Saraï, waarin behalve de Oriënt ook de muziek doorklinkt die nog immer de voornaamste bron is waaruit ze haar creaties put. Zoals Dana deze ongebruikelijke vertaalslag op haar blog toelicht:

“Het komt er in feite op neer de maten, ritmes, melodieën en teksten van nummers te interpreteren en dit vervolgens in parfums te vertalen, een vorm van pastiche als het ware, een olfactorische (her)verbeelding. De bedoeling hiervan is jou, als drager, eraan te herinneren dat een parfum je transformeert en dat muziek universeel is. Allebei raken ze aan diepe emoties en zetten ze je ertoe aan in het moment zelf te zijn”
  

Dit scheppingsproces lijkt bij Dana persoonlijk samen te hangen met een zeldzame vorm van synesthesie, de gesteldheid waardoor sommige mensen de prikkels van het ene zintuig steevast door de filter van een ander zintuig waarnemen. Niettemin is het opvallend hoe vaak parfumeurs teruggrijpen op muziektermen als ‘noten’, ‘toonladders’ en 'orgels’ om hun parfums te 'componeren'. Zou het een manier zijn om hun volatiele kunst tastbaarder te maken, meer cachet te verlenen ook? Geen tijd om hierover te filosoferen, want ondertussen heeft Dana Caro en mij ieder een oortje van haar IPhone aangereikt en laat ze een aantal liedjes horen terwijl we de bijbehorende odeur tot ons nemen. Dat Otis Reddings ‘Cigarettes and coffee’ vertaald wordt in een geur die aan (Turkse) koffie refereert, mag nog vrij voorspelbaar zijn, maar andere combinaties zijn dit veel minder. ‘Sunshowers’ van M.I.A. levert bijvoorbeeld het frisse, citrusachtige parfum Neon Graffiti op, terwijl Led Zeppelins ‘Going to California’ gevat wordt in Led IV dat donker en aards is, “met de textuur van fluweel” zoals Caro het raak weet te typeren. Je zou verwachten dat Dana’s werk inmiddels op aardig wat belangstelling kan rekenen, maar de meeste Montréalais staan volgens haar nogal huiverig tegenover dit soort artistieke innovatie. “Misschien zal ik mijn geluk ten slotte toch in New York moeten beproeven”, besluit ze, niet zonder enige spijt.

Onze inventiviteit heeft Dana alvast behoorlijk verhoogd! Terug in de studentenresidentie speculeren Caro en ik over het ontwerp voor een kunstinstallatie op basis van alle luchtjes die de bewoners van dit vijfentwintig verdiepingen tellende complex in de liften achterlaten. De batterij van zes liften is immers niets anders dan een gigantische geurencarroussel, die van iedere passagier tijdelijk een olfactorisch portret opslaat, het vermengt met oudere portretten en deze at random-cocktail vervolgens serveert aan al wie daarna instapt. Afhankelijk van het tijdstip en de dag word je zodoende in de lift omhuld door verleidelijke reukwatertjes of deodorants, het penetrante zweet van sporters en chloor uit het zwembad, de walm van hamburgers of meegesmokkeld bier, bedompte regenjassen of de inkt van krantenpapier, om maar te zwijgen van alle ondefinieerbare uitwasemingen en feromonen van jongelui, die in de luttele seconden waarin ze samen opgesloten zijn in deze kleine kooi, elkaar bronstig staan te beloeren...

Andere onderwerpen in de categorie Reisjournaal:

Montréal: een stad waar je met koffers vol verhalen weer vertrekt

12 november 2016
“Caminante, son tus huellas / el camino y nada más” [Wandelaar, je sporen zijn / de weg, en zij alleen], dit beroemde vers van de grote Spaanse modernist Antonio Machado kan als motto dienen voor elke reiziger.
LEES MEER

Parijs-New York-Québec: dromen van een utopisch Amerika

10 september 2016
Afgelopen zomer heb ik, voor werk en plezier, veel mogen reizen. Het bracht me terug in Parijs, voor het eerst in New York maar ook in afgelegen hoekjes van het onmetelijke Québec.
LEES MEER

Montréal: brief aan Leonard Cohen

22 april 2016
Dear Leonard (if I may), Het is midden april, vier uur ‘s middags. Nog steeds is het koud in Montréal – te koud voor de tijd van het jaar -, en ineens voel ik de onbedwingbare aanvechting u te schrijven.
LEES MEER

Montréal-Leiden: waar kunst in eieren en gebaren spreekt

31 maart 2016
Dit reisjournaal is wat langer onbeschreven gebleven dan de bedoeling was, doordat ik in februari verscheidene weken uit de running ben geweest.
LEES MEER

Montréal: de stad waar iedereen welkom is (of toch niet?)

03 februari 2016
Zoals ik aan het begin van deze Canada-reeks heb verteld, richt mijn huidig onderzoek zich op de rol van zintuiglijke beperkingen in kunst en literatuur. Omdat dit onderwerp mij volledig in beslag neemt, zult u er hier nog vaak over lezen.
LEES MEER

Montréal: een stad die je omarmt

30 november 2015
Niets is zo grillig en plastisch als de tijd. Zodra je het gezapige ritme van je vertrouwde leventje achter je laat om naar een ver en onbekend oord te vertrekken, ballen je vele nieuwe indrukken zich eensklaps samen en word je in dolle vaart meegesleurd.
LEES MEER

Montréal: een wetenschappelijk en persoonlijk avontuur

24 oktober 2015
Over twee weken stap ik in het vliegtuig om een jaar lang onderzoek te gaan doen aan Concordia University in Montréal. Wie er tegenwoordig voor kiest in de wetenschap verder te gaan, kiest voor een fascinerend maar onbestemd bestaan.
LEES MEER

Schrijven voor het vaderland: op zoek naar José Martí

10 juli 2010
(Reisreportage over Cuba verschenen in Streven, 77.7 2010, pp. 610-621) Onderweg van Trinidad naar de oostelijke stad Santiago, het eindpunt van onze rondreis op Cuba, doen we het plaatsje Sancti Spiritus aan. Nu ik deze drie toponiemen neergeschreven op een rijtje zie valt het me des te sterker op hoeveel christelijke mythologie ze meetors…
LEES MEER