Vermist spiegelkind

zondag 24 maart 2019

(Eerste prijs dr. Alam Darsono-verhalenwedstrijd 2019)

Voor Mei Lan, en onze bijzondere vriendschap die eens in de trein begon

Staat u even stil, beste bezoeker, want hier lig ik dan, voor u, in klei. Inderdaad, achter dit gordijn. Tilt u het gerust nog wat verder op en laat uw handen over mijn lichaam gaan. Maar bedwing uw neiging om mij te willen zien. Dat is immers volkomen nutteloos; in deze kist is het aardedonker. Het duister is hier binnenin nog vele malen dieper dan in het schemerige zaaltje waar u zich bevindt. Ik weet het; in een museum als dit verwacht u objecten in glazen vitrines en beelden van was of marmer achter een touw – onaanraakbaar, op een veilige afstand, maar des te meer blootgesteld aan uw hongerige blikken. Wel, hier bestaat deze illusie van onderlinge distantie niet. Kom toch nog wat dichterbij en geloof, al is het slechts voor deze ene keer, in wat uw vingertoppen u vertellen!

Denk nu niet dat zij die mij gemaakt heeft, u veracht om de bezitsdrang van uw ogen. Ze heeft die kijklust zelf vaak genoeg achter haar werkloze netvliezen voelen branden. En heus niet alleen in die eerste maanden, toen haar spiegelbeeld geleidelijk aan begon op te lossen.
Ze moet een jaar of acht zijn geweest, hooguit negen. Het meisje dat ’s ochtends in de badkamer altijd gekke grimassen trok of een lange, spitse tong naar haar uitstak, had zich in een allengs dichtere mist gehuld. Het kwam niet door de condens, daarvan had ze zich meermaals vergewist. Als ze op de toppen van haar tenen ging staan om met de mouw van haar pyjama het spiegeloppervlak schoon te vegen, bleef het beeld net zo nevelig. Eerst had ze gedacht dat dat maffe spiegelkind weer een geintje met haar uithaalde. Ze vond het ook best grappig; alsof het in de snikhete badkamer uitsluitend in de spiegel vroor en de adem van het meisje tegenover haar in wolkjes uit haar mond omhoog kringelde.
Pas toen ze ook buiten in het heldere voorjaarslicht mistslierten zag, in de etalages van de winkels en tussen de takken van de bomen, voelde ze paniek opkomen. Toch durfde ze er nog met niemand over te praten, en lachte ze maar wat schaapachtig mee met de kinderen uit de buurt, wanneer ze opnieuw over een drempel of stoepje struikelde. De spottende gezichtjes om haar heen waren inmiddels net zulke wazige vlekken als van het meisje boven de wastafel.

Herkent u de vormen waar u langs strijkt? Vlak voor u een romp, rechts daarvan een hoofd? Beide nagenoeg op ware grootte, zegt u? Niet gek, helemaal niet gek! Ik lig inderdaad op mijn rug, met mijn linkerzij naar u toegekeerd – met onder, boven en rechts van me de houten wanden van de gekantelde kist.
Een tengere hals? Ja, dat is misschien wel mijn meest breekbare deel. Maar gaat u alstublieft niet te snel. Tasten vraagt om behoedzaam verkennen, om terugkeren naar wat u reeds lang meende te weten. Wat dat voor golvend patroon is rond de hals, dat ook mijn schouders bedekt? Zegt u het maar! De plooien van een jurk misschien? Mijn neervallende lokken? Wie weet… Of zijn het de achtergebleven indrukken van boetserende vingers? Voelt u nog eens goed.  

Op een ochtend was behalve het meisje ook de spiegel verdwenen. De badkamer was niet meer dan een verzameling wankele contouren. Net zoals elk voorwerp in huis of haar angstige ouders, die haar overal stevig bij de hand hielden. Ze troonden haar mee naar een eindeloze reeks dokters, die allemaal op eendere wijze mompelden en – zo veronderstelde ze – moedeloos van nee schudden. Ze kreeg dan ook schoon genoeg van die steriele ziekenhuisluchtjes en kille wachtkamers.
Want in tegenstelling tot haar ouders was ze er algauw achter dat er helemaal niets was om bang voor te zijn. Als ze zich maar niet krampachtig vastklampte aan de draderige silhouetten om haar heen, dan was de wereld er nog steeds. Oké, die was anders dan voorheen, maar daarom niet minder vertrouwd. Op de overloop hoefde ze heus niet het aantal stappen van haar kamer naar de trap te tellen, zoals haar moeder haar in het begin steeds weer smeekte te doen. De opening naar de trap was perfect te horen, zodat haar voet zonder aarzeling de eerste tree vond en ze vervolgens even hard als vroeger naar beneden stoof. Toen ze niet langer op dat laatste restje zicht rekende, botste ze ook minder vaak tegen dingen op. Ze schaamde er zich niet voor om arm in arm met haar beste vriendin over het schoolplein te lopen; lachend en kletsend volgde ze, zonder erbij na te denken, haar vriendins bewegingen om vuilnisbakken en fietsrekken te omzeilen. Maar ook wanneer ze alleen over straat liep, was er nu haar stok die haar waarschuwde voor op- en afstapjes. En, niet te vergeten, dat merkwaardige gevoel ter hoogte van haar voorhoofd - als een zachte druk op haar huid - waardoor ze de nabijheid van een groot obstakel als een reclamebord of een geparkeerde auto gewaarwerd.

Daar zijn uw vingers inmiddels ook aangeland, bij mijn voorhoofd, niet? Lukt het een beetje om mijn gelaatstrekken te ontcijferen, mijn afkomst te bepalen? Daar bent u normaal gesproken toch zo goed in? In mensen thuiswijzen op basis van hun huidskleur, de vorm van hun neus en hun jukbeenderen? Klopt, dat is heel wat lastiger op de tast! Ineens vallen alle zekerheden en categorieën weg. Ik wil u wel verklappen dat mijn huid naar okerrood neigt, maar dat is simpelweg de kleur van de geglazuurde klei. U gelooft dat ik amandelogen heb? Vanwege die huidplooi? Misschien vergist u zich, en zijn dit gewoon mijn gesloten oogleden, met daarachter mijn naar binnen gerichte blik die in de peilloze leegte tuurt.  

Hoewel mijn maakster de wereld dus herontdekt had, miste ze in haar hart wel het verdwenen spiegelkind. Terwijl zij stilaan volwassen werd, was het meisje uit de badkamer nooit ouder geworden. Ze zag het beeld van het kind scherp omlijnd voor zich, als bij toverslag gestold in de tijd, kort voordat het voorgoed zou verdampen.
Het gemis was vaak niet meer dan een milde deining, die soms zelfs volledig wegebde, maar af en toe ook kon aanzwellen en dan woest tegen haar ribben beukte. Die moeilijke momenten kwamen meestal na de een of andere opmerking over haar veranderende uiterlijk. Dat ze binnenkort een echte vrouw zou zijn bijvoorbeeld. Of dat haar haren almaar donkerder schenen, dat een bril haar niet zou misstaan, dat ze zich niet zo jongensachtig zou moeten kleden, dat wat mascara haar lange wimpers nog beter zou doen uitkomen, dat die make-up haar totaal niet stond, dat ze een taille had om jaloers op te zijn, dat ze nodig moest afvallen, dat ze mooie borsten had, maar wel wat aan de kleine kant… 

Nee, werkelijk, haast u vooral niet. Er wordt telkens maar eén bezoeker tot deze zaal toegelaten, en die krijgt een half uur de tijd. Maar natuurlijk, knielt u rustig naast me neer, plek zat, en laat dat gordijn achter u maar vallen. Knus toch, zo samen in deze kist? De fluwelen stem die nu al ruim een kwartier tegen u praat, is trouwens de stem van mijn maakster. Ja, hier in het duister is zij overal en nergens tegelijk.
Heeft u bemerkt hoe ik, boven mijn gewelfde borst, mijn handpalmen tegen elkaar druk? De vingertoppen wijzend naar de kin, de duimen tegen het borstbeen? Of ik aan het bidden ben? Het staat u vrij dit gebaar zo te duiden. Maar het zou evengoed een groet kunnen zijn, als in een oosterse namasté, waarmee ik voor de goden, de mensen, de planten en de dieren buig. U vindt mijn handen en armen nogal abstract uitgevoerd? Net gevouwen vleugels, of een grote, opstaande vin? Waarom ook niet? Laat uw verbeelding maar de vrije loop!

Wanneer ze precies besloot mij te maken is haar ontschoten. Maar gaandeweg rijpte het besef dat ze als jonge vrouw enkel uit woorden bestond, uitspraken van anderen die, soms na amper eén oogopslag, meenden haar te kennen. Wie zou hen ook tegenspreken, zolang ze voor zichzelf een raadsel was?
Hoe kon ze dat verdwenen kind ooit terugvinden en doen herleven? En nu ze er zo over nadacht, hoe had dat meisje er eigenlijk uitgezien? De spiegel had doorgaans alleen haar guitige smoeltje getoond, een uitsnede als van een buste, een profiel, maar nooit haar volledige lichaam. Wat had die spiegel zoal aan het oog onttrokken, afgevlakt tot een onlijfelijk beeld?
Gevangen in de weerkaatsing van haar herinnering bleef dat gebroken kind hoe dan ook ongrijpbaar.

Leg uw hoofd eens op mijn buik. Ja, daar ter hoogte van de navel, met uw wang tegen het koele, gladde glazuur. Welnee! Ik barst niet zo gauw, sinds ik tweemaal door die oven van om en nabij de duizend graden ben gepasseerd. U doet dit toch niet voor het eerst? U hebt u vast weleens, in de vroege uurtjes, op dezelfde manier bij uw geliefde neergevlijd. Toen klonk in uw oor het gemurmel en geklots van ingewanden. In mijn binnenste, evenwel, heerst stilte - absolute stilte. Luister maar…

Ze heeft uiteindelijk meer dan een jaar aan me gewerkt. Terwijl ik op de tafel in het gehuurde atelier lag, voegde ze telkens nieuwe brokjes klei aan me toe, zodat ik elke keer opnieuw bevochtigd, gekneed, gemodelleerd en gladgestreken moest worden. Zo welde ik langzaam uit haar op, maar vraag haar niet waar ik vandaan kwam.
Of ik op mijn maakster lijk? Zonder enige twijfel, voor wie voorbij de spiegel kijkt.

Volgens u hebben mijn benen iets weg van een gestileerde staart? U bedoelt, met die openvallende knieën en tegen elkaar geplaatste voetzolen? U heeft werkelijk een rijke fantasie! Maar kom, draait u er toch niet langer omheen! Ach, voor mij hoeft u niet zo preuts te doen, dat is nergens voor nodig. U weet best waar u al de hele tijd met klamme handen rond cirkelt. Laat ze nu maar ongestoord hun gang gaan…
Ah, u schrikt, omdat u nattigheid voelt! Ja, waar u de waarheid van mijn geslacht en van uw verlangen hoopte aan te treffen, is slechts een driehoekig waterbekken. Jazeker, kunstig aangebracht tussen mijn dijen. Schroomt u vooral niet en dompel uw handen tot aan de polsen, of voor mijn part nog verder, in het verkwikkende bassin. Er zit echt niets in dat u zal bijten. Laat u gerust nog wat zakken. Ja, zo! Wie zal zeggen welke parels u in de diepte wachten…

Onze tijd samen is bijna om, beste bezoeker. Ik begrijp dat het u zwaar valt om me los te laten, maar mijn volgende gast staat al achter de deur, klaar om binnen te komen. Hangt u het gordijn weer netjes voor mijn kist? Het was me een waar genoegen!
O ja, links van de uitgang staat een doos met tissues. Dan kunt u zich even afdrogen. Dat is wel zo prettig, nietwaar?

Andere onderwerpen in de categorie Literair werk:

Ik ben twee: de verstrooide waarneming in Pessoa’s Boek der rusteloosheid

21 december 2015
(Essay verschenen in Wijsgerig Perspectief 55.4 2015, pp. 17-23) Het zal niemand zijn ontgaan dat in kroegen en restaurants de smartphone een vaste en veeleisende tafelgenoot is geworden.
LEES MEER

De onzichtbare foto van Benjamin Péret

03 januari 2013
(Essay verschenen in Vooys, 31.1 2013, pp. 73-76) Onlangs vroeg een kunstfotograaf me welke rol fotografie in mijn onderzoek speelt. Op het eerste gezicht is het niet bepaald een pertinente vraag voor een blinde literatuurwetenschapper als ik.
LEES MEER

Caïssa

13 oktober 2011
(Kort verhaal, ongepubliceerd) Deze schaakpartij, tijdens de avondlijke treinreis van de kust naar het binnenland, heeft iets van een dans, een ritueel dat we schijnbaar mechanisch uitvoeren. Ik weet niet welke hogere macht we er gunstig mee proberen te stemmen - is het de allengs verdwenen onbevangenheid, de herinnering aan ons eigen verle…
LEES MEER

Een vormloze zee van modder en tijd: over Godenslaap van Erwin Mortier

29 mei 2011
(Essay verschenen op ROND1900) Schrift na schrift heeft Helena Demont, de ik-verteller van Godenslaap, haar leven lang gevuld met mijmeringen en gedachten.
LEES MEER

Toen de toerist nog een echte reiziger was

04 mei 2011
(Essay verschenen op ROND1900) Het massatoerisme zoals we dat tegenwoordig kennen is een vrij recent verschijnsel, dat spreekt.
LEES MEER

Vicente Huidobro: herleid tot een lied van louter syllabes

10 april 2011
(Essay verschenen in Poëziekrant, 35.4 2011, pp. 64-70) ‘De dichter is een kleine God’ luidt de titel van een onlangs gepubliceerde bloemlezing van de 150 mooiste gedichten in het Spaans. Deze titel is ontleend aan de "Ars poëtica" van de Chileense dichter Vicente Huidobro (1893-1948) en drukt heel kernachtig diens onwankelbare geloof in de…
LEES MEER

De ontmoeting

05 januari 2010
(Kort verhaal verschenen in De Brakke Hond, 105 2009) Vreemd dat jouw woordeloze verschijning voor mij louter in taal herrijzen kan. Een taal die puntig onder mijn vingertoppen moet groeien, dezelfde vingertoppen waarin de herinnering woekert aan de holte van je elleboog, de zachte belofte van je kleine oorschelp schuilgaand achter zonverhi…
LEES MEER

De maskerade van het geslacht: over Travestie van Mircea Cartarescu

03 oktober 2009
(Ongepubliceerd essay) Voor de 34-jarige auteur Victor, de ik-verteller van Mircea Cartarescu’s roman Travestie (1996), is schrijven allerminst een vermakelijk tijdbedrijf. Dit wordt gelijk duidelijk uit zijn ietwat lugubere beginselverklaring:
LEES MEER